Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar inhoudsopgave

De kop van de Slang wordt verbrijzeld

De kop van de Slang wordt verbrijzeld

Hoofdstuk 40

De kop van de Slang wordt verbrijzeld

Visioen 14 — Openbaring 20:1-10

Onderwerp: Satan in de afgrond geworpen, de Duizendjarige Regering, de laatste beproeving van de mensheid en Satans vernietiging

Tijd waarin vervuld: Van het einde van de grote verdrukking tot de vernietiging van Satan

1. Hoe heeft de vervulling van de eerste profetie uit de bijbel progressief voortgang gevonden?

HERINNERT u zich de eerste profetie uit de bijbel? Ze werd door Jehovah God geuit toen hij tot de Slang zei: „Ik zal vijandschap stellen tussen u en de vrouw en tussen uw zaad en haar zaad. Hij zal u in de kop vermorzelen en gij zult hem in de hiel vermorzelen” (Genesis 3:15). Thans nadert de vervulling van die profetie haar hoogtepunt! Wij zijn de geschiedenis van Satans oorlogvoering tegen Jehovah’s hemelse met een vrouw te vergelijken organisatie nagegaan (Openbaring 12:1, 9). Het aardse zaad van de Slang, met zijn religie, politiek en grote zakenwereld, heeft het zaad van de vrouw, Jezus Christus en zijn 144.000 gezalfde volgelingen, hier op aarde keer op keer wreed vervolgd (Johannes 8:37, 44; Galaten 3:16, 29). Satan heeft Jezus een smartelijke dood laten ondergaan. Maar dit bleek als een hielwond te zijn, want God wekte zijn getrouwe Zoon op de derde dag uit de doden op. — Handelingen 10:38-40.

2. Hoe wordt de Slang vermorzeld, en wat gebeurt er met het aardse zaad van de Slang?

2 En wat valt er te zeggen over de Slang en zijn zaad? Omstreeks 56 G.T. schreef de apostel Paulus een lange brief aan de christenen in Rome. Tot besluit moedigde hij hen aan door te zeggen: „Wat de God die vrede geeft betreft, hij zal Satan binnenkort onder uw voeten verbrijzelen” (Romeinen 16:20). Dit is meer dan een oppervlakkige kneuzing. Satan zal verbrijzeld worden! Paulus gebruikte hier een Grieks woord, sunʹtri·bo, dat de betekenis heeft van tot moes vermorzelen, vertrappen, geheel en al vernietigen door te verbrijzelen. Wat het menselijke zaad van de Slang betreft, dat krijgt in de dag des Heren een zware plaag te verduren, die tijdens de grote verdrukking tot een hoogtepunt gebracht wordt door de volledige verbrijzeling van Babylon de Grote en de politieke stelsels van de wereld, te zamen met hun financiële en militaire handlangers (Openbaring hfdst. 18, 19). Zo voert Jehovah de vijandschap tussen de twee zaden tot een climax. Het Zaad van Gods vrouw zegeviert over het aardse zaad van de Slang, en dat zaad is niet meer!

Satan in de afgrond

3. Wat gaat er volgens Johannes met Satan gebeuren?

3 Wat staat Satan zelf en zijn demonen dan te wachten? Johannes vertelt ons: „En ik zag een engel uit de hemel neerdalen met de sleutel van de afgrond en een grote keten in zijn hand. En hij greep de draak, de oorspronkelijke slang, die de Duivel en Satan is, en bond hem voor duizend jaar. En hij slingerde hem in de afgrond en sloot en verzegelde die boven hem, opdat hij de natiën niet meer zou misleiden totdat de duizend jaar geëindigd waren. Na deze dingen moet hij voor een korte tijd worden losgelaten.” — Openbaring 20:1-3.

4. Wie is de engel met de sleutel van de afgrond, en hoe weten wij dit?

4 Wie is deze engel? Hij moet wel over ontzaglijke kracht beschikken om met Jehovah’s aartsvijand te kunnen afrekenen. Hij heeft „de sleutel van de afgrond en een grote keten”. Doet dit ons niet aan een eerder visioen denken? Ja, inderdaad, de koning over de sprinkhanen wordt „de engel van de afgrond” genoemd! (Openbaring 9:11) Hier zien wij dus opnieuw Jehovah’s Voornaamste Rechtvaardiger, de verheerlijkte Jezus Christus, in actie. Deze aartsengel, die Satan uit de hemel heeft geworpen, door wie Babylon de Grote geoordeeld is en die te Armageddon afgerekend heeft met „de koningen der aarde en hun legers”, zou beslist niet terzijde treden om een lagere engel de kroon op het werk te laten zetten door Satan in de afgrond te werpen! — Openbaring 12:7-9; 18:1, 2; 19:11-21.

5. Hoe treedt de engel van de afgrond tegen Satan de Duivel op, en waarom?

5 Toen de grote vuriggekleurde draak uit de hemel werd neergeslingerd, werd hij aangeduid als „de oorspronkelijke slang, die Duivel en Satan wordt genoemd, die de gehele bewoonde aarde misleidt” (Openbaring 12:3, 9). Nu hij op het punt staat gegrepen en in de afgrond geworpen te worden, wordt hij opnieuw voluit beschreven als „de draak, de oorspronkelijke slang, die de Duivel en Satan is”. Deze beruchte verslinder, misleider, lasteraar en tegenstander wordt geketend en „in de afgrond” geslingerd, die goed gesloten en verzegeld wordt, „opdat hij de natiën niet meer zou misleiden”. Satan wordt voor duizend jaar opgesloten, gedurende welke tijd zijn invloed op de mensheid niet groter zal zijn dan die van een gevangene in een diepe kerker. De engel van de afgrond zorgt ervoor dat Satan geen enkel contact met het Koninkrijk van rechtvaardigheid kan hebben. Wat een verlichting voor de mensheid!

6. (a) Welk bewijs is er dat de demonen ook de afgrond ingaan? (b) Wat kan nu beginnen, en waarom?

6 Wat gebeurt er met de demonen? Ook zij zijn „voor het oordeel bewaard” (2 Petrus 2:4). Satan wordt „Beëlzebub, de heerser der demonen” genoemd (Lukas 11:15, 18; Matthéüs 10:25). Zou hun, gezien hun langdurige samenwerking met Satan, niet hetzelfde oordeel moeten worden toegemeten? De afgrond is sinds lang een voorwerp van vrees voor die demonen; toen zij bij één gelegenheid een rechtstreekse confrontatie met Jezus hadden, „bleven [zij] hem dringend verzoeken hun niet te bevelen de afgrond in te gaan” (Lukas 8:31). Maar wanneer Satan in de afgrond wordt opgesloten, zullen zijn engelen stellig met hem daarin geslingerd worden. (Vergelijk Jesaja 24:21, 22.) Nadat Satan en zijn demonen in de afgrond geworpen zijn, kan de duizendjarige regering van Jezus Christus beginnen.

7. (a) In welke toestand zullen Satan en zijn demonen verkeren terwijl zij zich in de afgrond bevinden, en hoe weten wij dit? (b) Zijn Hades en de afgrond hetzelfde? (Zie voetnoot.)

7 Zullen Satan en zijn demonen activiteiten ontplooien in de afgrond? Nu, denk nog eens aan het scharlakengekleurde, zevenkoppige wilde beest dat ’was, maar niet is, en toch op het punt staat uit de afgrond op te stijgen’ (Openbaring 17:8). Toen het zich in de afgrond bevond, ’was het niet’. Het functioneerde niet, was op non-actief gesteld, praktisch dood. Zo zei Paulus ook met betrekking tot Jezus: „’Wie zal in de afgrond neerdalen?’, namelijk om Christus uit de doden te doen opkomen” (Romeinen 10:7). Zolang Jezus zich in die afgrond bevond, was hij dood. * Het is derhalve redelijk de conclusie te trekken dat Satan en zijn demonen gedurende de duizend jaar van hun verblijf in de afgrond, in een met de dood te vergelijken toestand van inactiviteit zullen verkeren. Wat een goede tijding voor hen die rechtvaardigheid liefhebben!

Rechters gedurende duizend jaar

8, 9. Wat vertelt Johannes ons nu over degenen die op tronen zitten, en wie zijn dat?

8 Na de duizend jaar wordt Satan voor een korte tijd uit de afgrond losgelaten. Waarom? Alvorens het antwoord te geven, vestigt Johannes onze aandacht weer op het begin van die tijdsperiode. Wij lezen: „En ik zag tronen, en er waren er die daarop gingen zitten, en hun werd macht gegeven om te oordelen” (Openbaring 20:4a). Wie zijn dezen die op tronen zitten en in de hemel met de verheerlijkte Jezus regeren?

9 Het zijn „de heiligen” die door Daniël werden beschreven als heersend in het Koninkrijk met Iemand „gelijk een mensenzoon” (Daniël 7:13, 14, 18). Zij zijn dezelfden als de 24 oudere personen die op hemelse tronen in de tegenwoordigheid van Jehovah zelf zitten (Openbaring 4:4). Tot hen behoren de twaalf apostelen, aan wie Jezus de belofte gaf: „In de herschepping, wanneer de Zoon des mensen plaats neemt op zijn glorierijke troon, zult gij die mij zijt gevolgd, ook zelf op twaalf tronen zitten en de twaalf stammen van Israël oordelen” (Matthéüs 19:28). Ook Paulus behoort tot hen, evenals de Korinthische christenen die getrouw gebleven zijn (1 Korinthiërs 4:8; 6:2, 3). Ook leden van de gemeente Laodicéa die overwonnen hebben, behoren tot hen. — Openbaring 3:21.

10. (a) Hoe beschrijft Johannes de 144.000 koningen nu? (b) Wie behoren, gezien datgene wat Johannes ons eerder verteld heeft, tot de 144.000 koningen?

10 Tronen — 144.000 in getal — worden gereedgemaakt voor deze gezalfde overwinnaars die „uit het midden van de mensen gekocht [zijn] als eerstelingen voor God en voor het Lam” (Openbaring 14:1, 4). „Ja,” zo vervolgt Johannes, „ik zag de zielen van hen die met de bijl ter dood gebracht waren wegens het getuigenis dat zij hadden afgelegd omtrent Jezus en wegens het spreken over God, en hen die noch het wilde beest noch zijn beeld hadden aanbeden en die het merkteken niet op hun voorhoofd en op hun hand hadden ontvangen” (Openbaring 20:4b). Tot deze koningen behoren dus ook de gezalfde christelijke martelaren die eerder, bij het openen van het vijfde zegel, aan Jehovah vroegen hoeveel langer hij nog zou wachten voordat hij hun bloed zou wreken. Te dien tijde werd hun een lang wit gewaad gegeven en werd hun gezegd nog een korte tijd te wachten. Maar nu zijn zij gewroken door de verwoesting van Babylon de Grote, de vernietiging van de natiën door de Koning der koningen en Heer der heren, en het in de afgrond werpen van Satan. — Openbaring 6:9-11; 17:16; 19:15, 16.

11. (a) Hoe moeten wij de uitdrukking „met de bijl ter dood gebracht” begrijpen? (b) Waarom kan er gezegd worden dat alle 144.000 een offerandelijke dood sterven?

11 Werden al deze 144.000 koninklijke rechters letterlijk „met de bijl ter dood gebracht”? Vermoedelijk is dat betrekkelijk weinigen van hen werkelijk overkomen. Maar ongetwijfeld wordt deze uitdrukking gebruikt om daarmee al die gezalfde christenen te omvatten die op een of andere wijze het martelaarschap ondergaan (Matthéüs 10:22, 28). * Satan zou beslist graag hen allen met de bijl ter dood gebracht hebben, maar in werkelijkheid sterven niet al Jezus’ gezalfde broeders de marteldood. Velen van hen sterven aan een ziekte of van ouderdom. Ook zulke personen maken echter deel uit van de groep die Johannes nu ziet. In zekere zin sterven zij allen een offerandelijke dood (Romeinen 6:3-5). Bovendien was geen van hen een deel van de wereld. Vandaar dat zij allen door de wereld gehaat en in haar ogen feitelijk als dood geworden zijn (Johannes 15:19; 1 Korinthiërs 4:13). Geen van hen aanbad het wilde beest of zijn beeld, en toen zij stierven, droegen zij geen van allen het merkteken van het beest. Elk van hen is als overwinnaar gestorven. — 1 Johannes 5:4; Openbaring 2:7; 3:12; 12:11.

12. Wat bericht Johannes over de 144.000 koningen, en wanneer komen zij tot leven?

12 Nu leven deze overwinnaars weer! Johannes bericht: „En zij kwamen tot leven en regeerden als koningen met de Christus, duizend jaar lang” (Openbaring 20:4c). Betekent dit dat deze rechters pas na de vernietiging van de natiën en het in de afgrond werpen van Satan en zijn demonen uit de doden worden opgewekt? Nee. De meesten van hen waren toen reeds springlevend, aangezien zij te Armageddon met Jezus tegen de natiën ten strijde zijn getrokken (Openbaring 2:26, 27; 19:14). Paulus gaf in feite te kennen dat hun opstanding spoedig na het begin van Jezus’ tegenwoordigheid in 1914 een aanvang neemt en dat sommigen eerder worden opgewekt dan anderen (1 Korinthiërs 15:51-54; 1 Thessalonicenzen 4:15-17). Zij komen dus tot leven in de loop van een tijdsperiode, wanneer zij elk afzonderlijk de gave van onsterfelijk leven in de hemel ontvangen. — 2 Thessalonicenzen 1:7; 2 Petrus 3:11-14.

13. (a) Hoe moeten wij de duizend jaar dat de 144.000 regeren opvatten, en waarom? (b) Hoe beschouwde Papias van Hiërapolis de duizend jaar? (Zie voetnoot.)

13 Zij zullen gedurende duizend jaar regeren en oordelen. Is dit een letterlijke periode van duizend jaar, of moeten wij deze tijdsaanduiding symbolisch opvatten als een onbepaalde, lange tijdsperiode? „Duizenden” kan een groot, onbepaald aantal betekenen, zoals in 1 Samuël 21:11. Maar hier is „duizend” letterlijk, aangezien het in Openbaring 20:5-7 driemaal voorkomt als „de duizend jaar”. Paulus noemde deze oordeelstijd „een dag”, toen hij zei: „Hij [God] heeft een dag vastgesteld waarop hij voornemens is de bewoonde aarde in rechtvaardigheid te oordelen” (Handelingen 17:31). Aangezien Petrus ons meedeelt dat één dag bij Jehovah als duizend jaar is, is het passend dat deze Oordeelsdag letterlijk duizend jaar duurt. * — 2 Petrus 3:8.

De overigen der doden

14. (a) Welke verklaring last Johannes in betreffende „de overigen der doden”? (b) Hoe werpt datgene wat de apostel Paulus zegt, licht op de uitdrukking ’tot leven komen’?

14 Over wie zullen deze koningen echter oordelen indien, zoals de apostel Johannes hier tussenvoegt, (de overigen der doden . . . niet tot leven [kwamen] totdat de duizend jaar geëindigd waren)? (Openbaring 20:5a) Wederom moet de uitdrukking ’tot leven komen’ in contextueel verband begrepen worden. Deze uitdrukking kan in verschillende omstandigheden verschillende betekenissen hebben. Paulus zei bijvoorbeeld over zijn gezalfde medechristenen: „God [heeft] ú levend gemaakt, ofschoon gij dood waart in uw overtredingen en zonden” (Efeziërs 2:1). Ja, met de geest gezalfde christenen werden „levend gemaakt”, zelfs al in de eerste eeuw, doordat zij rechtvaardig verklaard werden op grond van hun geloof in Jezus’ slachtoffer. — Romeinen 3:23, 24.

15. (a) In welke verhouding tot God stonden de voorchristelijke getuigen van Jehovah? (b) Hoe komen de andere schapen „tot leven”, en wanneer zullen zij in de volste zin van het woord de aarde bezitten?

15 Op overeenkomstige wijze werden voorchristelijke getuigen van Jehovah rechtvaardig verklaard tot vriendschap met God; en over Abraham, Isaäk en Jakob werd gesproken als „levenden”, hoewel zij fysiek dood waren (Matthéüs 22:31, 32; Jakobus 2:21, 23). Zij en alle anderen die uit de doden worden opgewekt, evenals de grote schare getrouwe andere schapen die Armageddon overleven en de kinderen die eventueel in de nieuwe wereld aan hen geboren worden, moeten echter nog tot menselijke volmaaktheid worden opgeheven. Dit zal gedurende de duizendjarige Oordeelsdag tot stand worden gebracht door Christus en zijn medekoningen en -priesters, op basis van Jezus’ loskoopoffer. Aan het einde van die Dag zullen „de overigen der doden” in die zin ’tot leven gekomen’ zijn dat zij volmaakte mensen zullen zijn. Zoals wij zullen zien, moeten zij dan een laatste beproeving doorstaan, maar zij zullen die onder de ogen zien als mensen die tot volmaaktheid zijn gebracht. Wanneer zij de beproeving doorstaan, zal God hen waardig verklaren eeuwig te leven, ja, zullen zij in de volste zin van het woord rechtvaardig zijn. Zij zullen de volledige vervulling ervaren van de belofte: „De rechtvaardigen, díe zullen de aarde bezitten, en zij zullen er eeuwig op verblijven” (Psalm 37:29). Wat een heerlijke toekomst is voor de gehoorzame mensheid weggelegd!

De eerste opstanding

16. Hoe beschrijft Johannes de opstanding die degenen ten deel valt die als koningen met Christus zullen regeren, en waarom?

16 Nu terugkerend tot degenen die ’tot leven kwamen en als koningen met de Christus regeerden’, schrijft Johannes: „Dit is de eerste opstanding” (Openbaring 20:5b). In welke zin de eerste? Het is „de eerste opstanding” uit het oogpunt van tijd, want degenen aan wie deze opstanding ten deel valt, zijn „eerstelingen voor God en voor het Lam” (Openbaring 14:4). Ze is ook de eerste in belangrijkheid, aangezien degenen die er deel aan hebben, mederegeerders met Jezus worden in zijn hemelse koninkrijk en de overigen van de mensheid zullen oordelen. Ten slotte is ze de eerste in hoedanigheid. Afgezien van Jezus Christus zelf zijn degenen die in de eerste opstanding worden opgewekt, de enige schepselen over wie in de bijbel gezegd wordt dat zij onsterfelijkheid ontvangen. — 1 Korinthiërs 15:53; 1 Timótheüs 6:16.

17. (a) Hoe beschrijft Johannes het gezegende vooruitzicht dat de gezalfde christenen hebben? (b) Wat is „de tweede dood”, en waarom heeft die „geen autoriteit” over de 144.000 overwinnaars?

17 Wat een gezegend vooruitzicht hebben deze gezalfden! Hierover zegt Johannes: „Gelukkig en heilig is een ieder die deel heeft aan de eerste opstanding; over dezen heeft de tweede dood geen autoriteit” (Openbaring 20:6a). Zoals Jezus de christenen in Smyrna beloofde, zullen deze overwinnaars die deel hebben aan „de eerste opstanding”, geen gevaar lopen schade te lijden van „de tweede dood”, een symbool van volledige vernietiging zonder hoop op een opstanding (Openbaring 2:11; 20:14). De tweede dood heeft „geen autoriteit” over zulke overwinnaars, want zij zullen onverderfelijkheid en onsterfelijkheid hebben aangedaan. — 1 Korinthiërs 15:53.

18. Wat zegt Johannes nu betreffende de nieuwe heersers over de aarde, en wat zullen zij tot stand brengen?

18 Wat een verschil met de koningen der aarde die er waren tijdens Satans heerschappij! Dezen hebben ten hoogste slechts vijftig of zestig jaar geregeerd, en de overgrote meerderheid niet meer dan enkele jaren. Velen van hen hebben de mensheid onderdrukt. En afgezien daarvan, hoe zou het de natiën tot duurzaam voordeel kunnen strekken onder steeds wisselende heersers met steeds wisselende beleidsprogramma’s te moeten leven? In tegenstelling hiermee zegt Johannes betreffende de nieuwe heersers over de aarde: „Maar zij zullen priesters van God en van de Christus zijn en zullen de duizend jaar met hem als koningen regeren” (Openbaring 20:6b). Te zamen met Jezus zullen zij duizend jaar lang de enige regering vormen. Door de priesterdienst die zij verrichten, waarbij zij de verdienste van Jezus’ volmaakte menselijke slachtoffer aanwenden, zullen gehoorzame mensen tot geestelijke, morele en fysieke volmaaktheid opgeheven worden. De dienst die zij als koningen verrichten, zal tot resultaat hebben dat er een wereldomvattende mensenmaatschappij wordt opgebouwd die Jehovah’s rechtvaardigheid en heiligheid weerspiegelt. Als rechters gedurende duizend jaar zullen zij, te zamen met Jezus, gunstig reagerende mensen liefdevol naar het doel van eeuwig leven leiden. — Johannes 3:16.

De laatste beproeving

19. In welke toestand zullen de aarde en de mensheid zich aan het einde van de Duizendjarige Regering bevinden, en wat doet Jezus nu?

19 Aan het einde van de Duizendjarige Regering zal de gehele aarde op het oorspronkelijke Eden lijken. Ze zal een waar paradijs zijn. De volmaakte mensheid zal geen hogepriester meer nodig hebben die ten behoeve van haar als voorspraak bij God optreedt, aangezien alle sporen van de Adamitische zonde verwijderd zullen zijn en de laatste vijand, de dood, tenietgedaan zal zijn. Christus’ koninkrijk zal Gods voornemen om één wereld met één regering te scheppen, hebben verwezenlijkt. Dit is het tijdstip waarop Jezus „het koninkrijk aan zijn God en Vader overdraagt”. — 1 Korinthiërs 15:22-26; Romeinen 15:12.

20. Wat zal er, zoals Johannes ons vertelt, gebeuren wanneer de tijd aanbreekt voor de laatste beproeving?

20 Nu is de tijd aangebroken voor een laatste beproeving. Zal die tot volmaaktheid gebrachte mensenwereld, in tegenstelling tot de eerste mensen in Eden, pal staan in haar rechtschapenheid? Johannes vertelt ons wat er gebeurt: „Zodra nu de duizend jaar geëindigd zijn, zal Satan uit zijn gevangenis worden losgelaten, en hij zal uitgaan om de natiën te misleiden die aan de vier hoeken van de aarde zijn, Gog en Magog, om hen tot de oorlog te verzamelen. Het aantal van hen is als het zand der zee. En zij trokken op over de breedte der aarde en omsingelden de legerplaats van de heiligen en de geliefde stad.” — Openbaring 20:7-9a.

21. Hoe gaat Satan bij zijn laatste krachtsinspanning te werk, en waarom moeten wij niet verbaasd zijn dat sommigen zelfs na de Duizendjarige Regering Satan zullen volgen?

21 In hoeverre zal Satans laatste krachtsinspanning succes hebben? Hij misleidt „de natiën . . . die aan de vier hoeken van de aarde zijn, Gog en Magog,” en voert ze tot „de oorlog”. Wie zou nu nog na duizend jaar van vreugdevolle, opbouwende theocratische heerschappij Satans zijde kunnen kiezen? Welnu, vergeet niet dat Satan de volmaakte Adam en Eva heeft kunnen misleiden toen zij in het paradijs van Eden leefden. En hij was in staat hemelse engelen die de kwade gevolgen van de oorspronkelijke opstand gezien hadden, op het verkeerde pad te brengen (2 Petrus 2:4; Judas 6). Wij moeten dus niet verbaasd zijn dat sommige volmaakte mensen zich zelfs na duizend jaar verrukkelijke heerschappij van Gods koninkrijk zullen laten verlokken om Satan te volgen.

22. (a) Wat wordt te kennen gegeven door de uitdrukking „de natiën . . . die aan de vier hoeken van de aarde zijn”? (b) Waarom worden de opstandelingen „Gog en Magog” genoemd?

22 De bijbel noemt deze opstandelingen „natiën . . . die aan de vier hoeken van de aarde zijn”. Dit betekent niet dat de mensheid opnieuw verdeeld zal zijn in op zichzelf staande nationale eenheden. Er wordt alleen mee te kennen gegeven dat deze opstandelingen zich zullen afscheiden van Jehovah’s rechtvaardige loyalen en dezelfde kwade geest aan de dag zullen leggen als waarvan de natiën in deze tijd blijk geven. Zij zullen net als de Gog van Magog uit Ezechiëls profetie „een schadelijk plan bedenken”, met het doel theocratisch bestuur op aarde te gronde te richten (Ezechiël 38:3, 10-12). Vandaar dat zij „Gog en Magog” worden genoemd.

23. Wat wordt te kennen gegeven door het feit dat het aantal van de opstandelingen „als het zand der zee” is?

23 Het aantal van degenen die zich bij Satan in zijn opstand aansluiten, zal „als het zand der zee” zijn. Hoeveel zijn dat er? Er is geen van tevoren vastgesteld aantal. (Vergelijk Jozua 11:4; Rechters 7:12.) Het uiteindelijke totale aantal opstandelingen zal afhangen van de wijze waarop ieder afzonderlijk op Satans bedrieglijke listen reageert. Ongetwijfeld zal het echter een aanzienlijk aantal zijn, aangezien zij zich sterk genoeg zullen voelen om „de legerplaats van de heiligen en de geliefde stad” te overmeesteren.

24. (a) Wat is „de geliefde stad”, en hoe kan ze omsingeld worden? (b) Wat wordt afgebeeld door „de legerplaats van de heiligen”?

24 „De geliefde stad” moet de stad zijn waarover de verheerlijkte Jezus Christus in Openbaring 3:12 tot zijn volgelingen spreekt en die hij aanduidt als „de stad van mijn God, het nieuwe Jeruzalem, dat van mijn God uit de hemel neerdaalt”. Hoe zouden, aangezien dit een hemelse organisatie is, die aardse troepen haar kunnen ’omsingelen’? Doordat ze „de legerplaats van de heiligen” omsingelen. Een legerplaats ligt buiten een stad; derhalve moet „de legerplaats van de heiligen” een afbeelding zijn van degenen op aarde die zich buiten de hemelse vestigingsplaats van het Nieuwe Jeruzalem bevinden en die loyaal Jehovah’s bestuursregeling ondersteunen. Wanneer de opstandelingen onder aanvoering van Satan deze getrouwen aanvallen, beschouwt de Heer Jezus dit als een aanval op hemzelf (Matthéüs 25:40, 45). Die „natiën” zullen trachten alles weg te vagen wat het hemelse Nieuwe Jeruzalem tot stand heeft gebracht door de aarde tot een paradijs te maken. Wanneer ze „de legerplaats van de heiligen” aanvallen, is dat dus tevens een aanval op „de geliefde stad”.

Het meer van vuur en zwavel

25. Hoe beschrijft Johannes de afloop van de aanval die de opstandelingen op „de legerplaats van de heiligen” doen, en wat zal dit voor Satan betekenen?

25 Zal deze laatste krachtsinspanning van Satan succes hebben? Beslist niet — evenmin als dit het geval zal zijn met de aanval die Gog van Magog in onze dagen op het geestelijke Israël zal doen! (Ezechiël 38:18-23) Levendig beschrijft Johannes de afloop: „Maar vuur daalde neer uit de hemel en verslond hen. En de Duivel, die hen misleidde, werd in het meer van vuur en zwavel geslingerd, waar zowel het wilde beest als de valse profeet reeds waren” (Openbaring 20:9b-10a). In plaats van slechts in de afgrond te worden geworpen, zal Satan, de oorspronkelijke slang, deze keer werkelijk aan zijn eind komen doordat hij verbrijzeld, vermorzeld wordt, volledig vernietigd als door vuur.

26. Waarom kan „het meer van vuur en zwavel” geen letterlijke plaats van pijniging zijn?

26 Wij hebben reeds opgemerkt dat „het meer van vuur en zwavel” geen letterlijke plaats van pijniging kan zijn (Openbaring 19:20). Indien Satan daar tot in alle eeuwigheid ondraaglijke folteringen zou moeten ondergaan, zou Jehovah hem in leven moeten houden. Het leven is echter een gave, niet een straf. De dood is de straf op de zonde, en volgens de bijbel voelen dode schepselen geen pijn (Romeinen 6:23; Prediker 9:5, 10). Bovendien lezen wij later dat de dood zelf, samen met Hades, in ditzelfde meer van vuur en zwavel geslingerd wordt. De dood en Hades kunnen stellig geen pijn lijden! — Openbaring 20:14.

27. Hoe worden wij door datgene wat Sodom en Gomorra overkwam, geholpen de uitdrukking het meer van vuur en zwavel te begrijpen?

27 Dit alles versterkt de opvatting dat het meer van vuur en zwavel symbolisch is. Bovendien herinnert de vermelding van vuur en zwavel aan het lot dat de oude steden Sodom en Gomorra ondergingen, die door God vernietigd werden wegens hun grove goddeloosheid. Toen hun tijd gekomen was, „liet Jehovah zwavel en vuur van Jehovah, uit de hemel, op Sodom en op Gomorra regenen” (Genesis 19:24). Wat de twee steden overkwam, wordt „de gerechtelijke straf van eeuwig vuur” genoemd (Judas 7). Toch ondergingen die twee steden geen eeuwige pijniging. Ze werden daarentegen weggevaagd, voor altijd vernietigd, te zamen met hun ontaarde inwoners. Die steden bestaan thans niet meer en niemand kan met zekerheid zeggen waar ze gelegen hebben.

28. Wat is het meer van vuur en zwavel, en waarin verschilt het van de dood, Hades en de afgrond?

28 In harmonie hiermee verklaart de bijbel zelf de betekenis van het meer van vuur en zwavel: „Dit betekent de tweede dood: het meer van vuur” (Openbaring 20:14). Het is dus precies hetzelfde als het Gehenna waarover Jezus sprak, waar de goddelozen voor eeuwig vernietigd zijn, geen plaats waar zij voor eeuwig gepijnigd worden (Matthéüs 10:28). Het is de totale, volkomen vernietiging zonder hoop op een opstanding. Derhalve wordt er, terwijl er sleutels zijn voor de dood, Hades en de afgrond, geen melding gemaakt van een sleutel om het meer van vuur en zwavel te ontsluiten (Openbaring 1:18; 20:1). Nooit zal het zijn gevangenen vrijlaten. — Vergelijk Markus 9:43-47.

Gepijnigd tot in eeuwigheid

29, 30. Wat zegt Johannes over zowel de Duivel als het wilde beest en de valse profeet, en hoe moet dit begrepen worden?

29 Met betrekking tot zowel de Duivel als het wilde beest en de valse profeet deelt Johannes ons nu mee: „En zij zullen dag en nacht gepijnigd worden tot in alle eeuwigheid” (Openbaring 20:10b). Wat zou dit kunnen betekenen? Zoals reeds is opgemerkt, is het niet logisch te zeggen dat symbolen, zoals het wilde beest en de valse profeet, alsook de dood en Hades, in letterlijke zin foltering zouden kunnen ondergaan. Wij hebben dan ook geen reden om te geloven dat Satan tot in alle eeuwigheid zal lijden. Hij zal worden vernietigd.

30 Het hier gebruikte Griekse woord voor „pijnigen”, ba·sa·niʹzo, betekent in de eerste plaats „(metalen) testen met de toetssteen”. „Ondervragen door foltering toe te passen” is een tweede betekenis (The New Thayer’s Greek-English Lexicon of the New Testament). In de context geeft het gebruik van dit Griekse woord te kennen dat wat er met Satan gebeurt, tot in alle eeuwigheid zal dienen als toetssteen in de kwestie van de rechtmatigheid en rechtvaardigheid van Jehovah’s heerschappij. Die strijdvraag inzake de soevereine heerschappij zal eens en voor altijd beslecht zijn. Nooit meer zal een betwisting van Jehovah’s soevereiniteit over een uitgestrekte tijdsperiode getoetst behoeven te worden om de onjuistheid ervan te bewijzen. — Vergelijk Psalm 92:1, 15.

31. Hoe worden wij door twee Griekse woorden die verwant zijn aan het woord dat „pijnigen” betekent, geholpen de straf te begrijpen die Satan de Duivel ondergaat?

31 Bovendien wordt het verwante woord ba·sa·niʹstes, „pijniger”, in de bijbel gebruikt in de betekenis van „gevangenbewaarder” (Matthéüs 18:34, Kingdom Interlinear). In overeenstemming hiermee zal Satan voor eeuwig in het meer van vuur gevangen gehouden worden; hij zal nooit vrijgelaten worden. Ten slotte wordt in de Griekse Septuaginta, die Johannes heel goed kende, het verwante woord baʹsa·nos gebruikt ter aanduiding van de smaad of schande die tot de dood leidt (Ezechiël 32:24, 30). Dit helpt ons in te zien dat de straf die Satan ondergaat een smadelijke, eeuwige dood in het meer van vuur en zwavel is. Zijn werken vergaan met hem. — 1 Johannes 3:8.

32. Welke straf zullen de demonen ondergaan, en hoe weten wij dit?

32 Ook in dit vers worden de demonen niet genoemd. Zullen zij aan het einde van de duizend jaar met Satan worden vrijgelaten en vervolgens samen met hem de straf van de eeuwige dood ondergaan? Het bewijsmateriaal antwoordt bevestigend. In de gelijkenis van de schapen en de bokken zei Jezus dat de bokken zouden heengaan „in het eeuwige vuur dat voor de Duivel en zijn engelen is bereid” (Matthéüs 25:41). De uitdrukking ’eeuwig vuur’ moet betrekking hebben op het meer van vuur en zwavel waarin Satan geslingerd zal worden. De engelen van de Duivel werden met hem uit de hemel geworpen. Klaarblijkelijk gingen zij aan het begin van de Duizendjarige Regering samen met hem de afgrond in. Logischerwijs zullen zij derhalve ook met hem vernietigd worden in het meer van vuur en zwavel. — Matthéüs 8:29.

33. Welk laatste detail uit Genesis 3:15 zal dan in vervulling gaan, en op welke aangelegenheid vestigt Jehovah’s geest de aandacht van Johannes nu?

33 Aldus gaat het laatste detail van de profetie uit Genesis 3:15 in vervulling. Wanneer Satan in het meer van vuur geslingerd wordt, zal hij even dood zijn als een slang waarvan de kop onder een ijzeren hiel verpletterd is. Hij en zijn demonen zullen voorgoed verdwenen zijn. In Openbaring worden zij niet meer genoemd. Nu er wat de profetische beschrijving betreft met hen is afgerekend, vestigt Jehovah’s geest de aandacht op een zaak die van dringend belang is voor degenen die een aardse hoop koesteren: Wat zal voor de mensheid het resultaat zijn van de hemelse regering door de „Koning der koningen” en „de geroepenen en uitverkorenen en getrouwen met hem”? (Openbaring 17:14) Voor het antwoord daarop brengt Johannes ons nogmaals terug naar het begin van de Duizendjarige Regering.

[Voetnoten]

^ ¶7 Andere schriftplaatsen zeggen dat Jezus in Hades vertoefde toen hij dood was (Handelingen 2:31). Wij dienen echter niet de conclusie te trekken dat Hades en de afgrond altijd hetzelfde zijn. Terwijl het wilde beest en Satan de afgrond ingaan, wordt alleen van mensen gezegd dat zij naar Hades gaan, waar zij in de dood slapen tot aan hun opstanding. — Job 14:13; Openbaring 20:13.

^ ¶11 De bijl (Grieks: peʹle·kus) was naar het schijnt het traditionele terechtstellingswerktuig in Rome, alhoewel in Johannes’ tijd het zwaard meer in zwang was (Handelingen 12:2). Het Griekse woord dat hier gebruikt is, pe·pe·le·kisʹme·non („met de bijl ter dood gebracht”), betekent derhalve gewoon „ter dood gebracht”.

^ ¶13 Het is interessant dat Papias van Hiërapolis, die naar verluidt zijn bijbelkennis ten dele verkregen heeft van leerlingen van Johannes, de schrijver van de Openbaring, volgens een bericht van de vierde-eeuwse geschiedschrijver Eusebius geloofd heeft in een letterlijke duizendjarige regering van Christus (hoewel Eusebius het krachtig oneens was met hem). — Kerkgeschiedenis, Eusebius, III, 39.

[Studievragen]

[Illustratie op blz. 293]

De Dode Zee. Plaats waar mogelijk Sodom en Gomorra gelegen hebben

[Illustraties op blz. 294]

„Ik zal vijandschap stellen tussen u en de vrouw en tussen uw zaad en haar zaad. Hij zal u in de kop vermorzelen en gij zult hem in de hiel vermorzelen”