Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar inhoudsopgave

Nieuw-Zeeland

Nieuw-Zeeland

Nieuw-Zeeland

Toen in 1769 de eerste Europeanen voet aan wal zetten in Nieuw-Zeeland, troffen zij daar de bruine Maori’s aan. Zij waren in de 14de eeuw, ruim 400 jaar vóór de blanken, met hun kano’s naar deze afgelegen eilanden in de Stille Zuidzee gekomen. „De eigen verslagen van de Maori’s”, zo concludeert een geschiedschrijver, „over de Vloot van A.D. 1350 worden door bewijzen uit andere bronnen zo overtuigend bevestigd, dat ze voor authentieke geschiedenis kunnen doorgaan.”

Rond 1840, toen er nog maar zo’n 2000 blanken in Nieuw-Zeeland waren, kregen duizenden Maori’s belangstelling voor de bijbel. Omstreeks die tijd werden er circa 60.000 exemplaren van de christelijke Griekse Geschriften in het Maori gedrukt. Verhoudingsgewijs konden toen meer Maori’s dan blanken lezen en schrijven.

Maar toen er steeds meer Europeanen naar Nieuw-Zeeland kwamen braken er oorlogen met de Maori’s uit. De Maori-bevolking werd aanzienlijk gereduceerd en het aantal blanken nam snel toe. Tegenwoordig heeft Nieuw-Zeeland een bevolking van ruim 3.000.000 zielen, van wie de Maori’s slechts 8 procent uitmaken. Er komen jaarlijks nog steeds veel immigranten naar Nieuw-Zeeland; zo’n 15 procent van de bevolking is in het buitenland geboren.

De bevolking woont voornamelijk op de twee hoofdeilanden, Noord Eiland en Zuid Eiland genoemd, die door een 26 km brede zeestraat van elkaar gescheiden zijn. Ruim 70 procent van de bevolking woont op het Noord Eiland, ook al is het ’t kleinste van de twee. Nieuw-Zeeland is qua totale landoppervlakte van 269.057 km2 ongeveer even groot als Joegoslavië.

De bekoorlijkheid van dit land, dat de Maori’s Aotearoa — „Het land van de lange witte wolk” — noemden, is toe te schrijven aan de combinatie van golvend groen weideland, schilderachtige meren en fjorden, een thermaal gebied met warme bronnen en moddervulkanen, een plantenwereld die door bijzondere schoonheid wordt gekenmerkt, alsook honderden zandstranden, ruige met sneeuw bedekte bergen, gletsjers en betrekkelijk smogvrije steden. De grootste steden van de eilanden hebben allemaal meer dan 100.000 inwoners en zijn, in volgorde van grootte, Auckland, Wellington, Christchurch en Dunedin.

De overgrote meerderheid van de Nieuwzeelanders belijdt het christendom. Meer dan 900.000 behoren tot de Kerk van Engeland. Verder zijn er zo’n 570.000 presbyterianen, 480.000 rooms-katholieken en 170.000 methodisten. En er zijn ongeveer 7000 getuigen van Jehovah; zo’n 1000 van hen zijn Maori’s. De geschiedenis van Jehovah’s Getuigen in Nieuw-Zeeland begint ruim 75 jaar geleden.

VROEG BEGIN

Omstreeks 1904 arriveerden broeder en zuster Richardson uit de Verenigde Staten in Auckland, op het Noord Eiland. Er werd daar een kleine bijbelklas gevormd. In 1907 kwam er in het huis van H. S. Tarlton in Christchurch op het Zuid Eiland eveneens een groep bijeen. Spoedig daarna vielen sommigen echter af wegens een meningsverschil over de betekenis van de doop.

In die vroege dagen werd er echter goed zaad gezaaid in Christchurch. Een colporteur, zoals de volle-tijdpredikers van Jehovah’s Getuigen toen werden genoemd, bracht een bezoek aan Coronation Street 1. Een vriendelijke mevrouw Barry accepteerde de zes delen van de boeken van Pastor Russell, ’omdat ze te doen had met die oude heer’. Begin 1909 vertrokken haar zoon William en een vriend voor een bootreis van zes weken naar Engeland. Toen zij de zes delen zagen en wetend dat zij op de reis de tijd zouden moeten doden, stopten zij de boeken in een van hun reistassen. Tegen de tijd dat zij de halve wereld rond waren gevaren, via Valparaíso, Kaap Hoorn, Rio de Janeiro en Tenerife, en uiteindelijk in Londen aankwamen, had Bill Barry de delen zo grondig bestudeerd dat hij de daarin vervatte boodschap als waarheid aanvaardde.

Jaren later, in juni 1914, schreef zijn vriend hem: ’Bill, de wereld heeft er nooit vreedzamer uitgezien; Pastor Russell moet het bij het verkeerde eind hebben gehad.’ Maar toen kwamen de maanden juli en augustus, en de Grote Oorlog brak uit in een tijd van verschrikkelijke onrust, iets wat de Bijbelonderzoekers voor dat jaar hadden verwacht.

In de jaren twintig kwam de waarheid in de zakenwereld van Christchurch algemeen bekend te staan als ’Bill Barry’s religie”. In zijn jongere jaren had broeder Barry dikwijls met enkele hem bekende geestelijken over de waarheid gesproken. Hij zei dat hij vóór de Eerste Wereldoorlog een aantal ’fatsoenlijke’ dominees had gekend maar er na die tijd niet één meer kon vinden. Dit schreef hij toe aan de bloedschuld die zij door hun ondersteuning van de oorlog op zich hadden geladen, zodat zij door Jehovah veroordeeld en verworpen waren.

Later trachtte Bill met succes de bijbelse waarheden in het hart van zijn kinderen te prenten. Na verloop van tijd ging zijn zoon Lloyd Betheldienst in Australië verrichten, bracht vervolgens 25 jaar als zendeling in Japan door en heeft de afgelopen zeven jaar deel uitgemaakt van het Besturende Lichaam van Jehovah’s Getuigen in Brooklyn (New York).

Destijds, in die vroege dagen omstreeks 1910, woonden de zusters Evans en Blick in de hoofdstad Wellington. Een reizende colporteur bracht een bezoek aan een boer in Taita, ongeveer 24 km buiten Wellington, een bezoek dat spoedig tot grote vreugde voor deze zusters leidde. De boer die door de colporteur was bezocht, was Jack Walters. Jack bestelde drie delen van de Schriftstudiën. Zijn vrouw, Edith, vertelt:

„Het duurde twee maanden voordat de boeken werden bezorgd en mijn man las dag en nacht totdat hij ze uit had, en we spraken over niets anders meer. Hij schreef naar Amerika om een bijbel en nog meer boeken. Tot zijn vreugde en verrassing stuurden zij het vierde, vijfde en zesde deel van de ’Schriftstudiën’, waar wij niets van af wisten. Zij gaven ons ook het adres van het Genootschap in Melbourne.”

Jack Walters schreef naar Melbourne (Australië) om een doos boeken. Zodra hij ze had ontvangen, laadde hij ze op zijn fiets en ging de heuvel over naar het naburige Wainuiomata-dal om de boeren in deze afgelegen streek over zijn pasgevonden geloof te vertellen. Thans is daar een uitgestrekt woongebied en een Koninkrijkszaal van Jehovah’s Getuigen.

Toen op het bureau in Melbourne de lectuurbestelling van Jack Walters werd ontvangen, stuurde men een brief aan de zusters Evans en Blick met de mededeling dat een zekere J. F. Walters in het nabijgelegen Taita geïnteresseerd was. Wat waren zij dolgelukkig deze 26-jarige jonge man, een broeder in de waarheid, te vinden! Zo werd in 1911 de grondslag voor de gemeente Wellington gelegd. De moeder van Jack Walters kwam in de waarheid, en ook zijn zus en broer en nog andere familieleden.

VOORTREKKERS IN HET PREDIKINGSWERK

Ed Nelson, een man vol energie en ijver weliswaar niet erg tactvol, maar van ganser harte toegewijd aan het werk van de Heer was nauw betrokken bij de vroege ontwikkeling van de ware aanbidding in Nieuw-Zeeland. Zijn spraak was recht door zee en gekleurd met een Fins accent. Hij werd in de zomer van 1902 in Los Angeles (VS) gedoopt en werkte in 1909 en 1910 op het bureau van het Genootschap in Melbourne voordat hij naar Nieuw-Zeeland kwam. Vijftig jaar lang pionierde hij tot zijn dood in augustus 1961. Van de kauribossen in het noorden van Nieuw-Zeeland tot aan de Bluff (het zuidelijkste puntje van Nieuw-Zeeland) kan men nog steeds mensen ontmoeten die zich de bezoeken van Ed Nelson herinneren.

Het eerste congres van Jehovah’s volk in Nieuw-Zeeland werd in december 1912 door broeder Nelson georganiseerd. Ongeveer 20 personen kwamen op het achtererf van een particuliere woning in Wellington bijeen. Van deze groep boden zich acht aan voor de doop. In die dagen was de doop een stemmige gebeurtenis; de dopelingen kleedden zich in lange zwarte gewaden.

In 1914 kreeg Ed Nelson gezelschap van Frank Grove die in december 1913 was gedoopt. Kort daarna gaf Frank zijn boekhandel in Christchurch op. Hij wilde op zijn minst een paar maanden in de pioniersdienst gestaan hebben voordat in de herfst van 1914 het verwachte einde van het samenstel kwam. Later citeerde Frank graag Jeremia 20:7: „Gij hebt mij misleid, o Jehovah, zodat ik mij heb laten misleiden.” Zijn pioniersdienst waarvan hij had verwacht dat ze van korte duur zou zijn, heeft ruim 50 voldoeningschenkende jaren geduurd, tot aan zijn dood in 1967.

Toen Frank Grove een keer een vragenlijst voor het Genootschap moest invullen, merkte hij over zijn gezondheid op: „Zeer slechte ogen.” Degenen die hem hebben gekend, herinneren zich de buitengewoon dikke glazen van zijn bril en ook zijn doordringende mannelijke stem, die nooit aan kracht heeft ingeboet. Als groepen verkondigers rond het middaguur pauzeerden voor het eten van een boterham, verzamelden zij zich vaak rondom Frank, die dan uit zijn hoofd lange passages uit de Schrift opzei, dikwijls zelfs hele hoofdstukken uit Leviticus en andere bijbelboeken. Hij had vele jaren de leiding over de gemeente in Christchurch en diende later, van 1940 tot 1945, ook in deze hoedanigheid in Invercargill.

Frank Grove was aanwezig op het tweede congres dat in december 1913 in Nieuw-Zeeland werd gehouden en door 50 personen uit het hele land werd bijgewoond. Er waren in die tijd geen auto’s, dus reisden de congresgangers per trein naar het station Lower Hutt. Daar werden zij met door paarden getrokken rijtuigen afgehaald en zo naar het congresterrein op een boerderij gebracht. Slechts zeer weinigen van de congresgangers hadden elkaar ooit eerder ontmoet, zodat zij zich in vreugdevolle omgang verheugden. Een grote schuur was voor de bijeenkomst ingericht. Een hooizolder was leeggeruimd en vol gezet met gehuurde eenpersoonsbedden voor de broeders, terwijl de zusters in de boerenwoning en in een gehuurd gemeubileerd huis werden ondergebracht.

Tegen 1914 was er een zeer kleine, maar stevige kern van Koninkrijksverkondigers. Vier verkondigers waren colporteur, terwijl acht anderen het zogenoemde „vrijwilligers”-werk deden. Dit bestond in het verspreiden van de vlugschriften Peoples Pulpit (Volkskansel) en The Bible Students Monthly, (De Bijbelonderzoekers), die men ’s zondagsmorgens onder de deuren schoof. Dit handjevol Koninkrijksverkondigers, 12 in totaal, verspreidde in 1914 3172 boeken en 75 tijdschriften.

„PHOTO-DRAMA DER SCHEPPING”

Het Photo-Drama der Schepping was een combinatie van films en lichtbeelden over Gods voornemens, zoals die in de bijbel werden geleerd. Het werd door het Wachttorengenootschap vervaardigd en in 1914 voor vertoning vrijgegeven. Broeder Lee uit Vancouver (Canada) bracht het naar Nieuw-Zeeland. Op 1 oktober 1914 werd het Photo-Drama in de stadsgehoorzaal van Wellington vertoond.

Soms liep de opgenomen stem van Pastor Russell synchroon met de film, maar vaak ook niet; nochtans was het een voortreffelijke produktie. Heel wat mensen kwamen in de waarheid nadat zij het Photo-Drama hadden gezien, onder wie ook Alice Webster, die nog steeds een trouwe predikster in de gemeente Lower Hutt is.

In Christchurch waren in die tijd slechts drie Bijbelonderzoekers, zodat drie anderen uit Wellington moesten komen om te assisteren bij het vertonen van de film en de lichtbeelden. Zij huurden de grootste zaal in Christchurch af, namelijk het Koningstheater. Een hele maand lang was de zaal avond aan avond tot de laatste plaats bezet! Dat was nog voor de tijd dat het roken in openbare zalen bij de wet werd verboden. Men kon de rook dan ook snijden en er was een booglamp van 7000 kaars nodig om door de dichte nevel heen te dringen.

Daar de aansluitspanning van de booglamp slechts 45 volt was, gebruikten de broeders grote klossen gewoon rasterdraad om de 110-voltspanning te reduceren. De draadklossen werden soms heel heet, en bij één gelegenheid vatte de schakelkast vlam. Een waakzame brandweerman schakelde snel de stroom uit. Daarna hadden de broeders altijd enkele natte dekens bij de hand voor het geval zich nog eens zo’n noodgeval zou voordoen. Maar ondanks de dichte nevel en de primitieve uitrusting was de voorstelling een succes. Het publiek was razend enthousiast en één en al aandacht.

EEN TIJD VAN BEPROEVING

Toen Charles Taze Russell, de president van het Wachttorengenootschap, in 1916 stierf en Joseph F. Rutherford hem opvolgde, drong de wanklank der tweedracht zelfs tot Nieuw-Zeeland door. Sommigen in de organisatie spraken zich openlijk uit tegen de aanstelling van broeder Rutherford. Een paar opruiers in de Verenigde Staten schreven brieven aan broeders in Nieuw-Zeeland in een poging verdeeldheid te zaaien. Terzelfder tijd kwamen er aanvallen van buitenaf. Kranten in Nieuw-Zeeland vielen Jehovah’s volk op gemene wijze aan. Bij één gelegenheid waren er detectives op een bijbelstudie in Wellington aanwezig in de hoop opruiende elementen onder de broeders te vinden.

Niettemin werd het predikingswerk met succes voortgezet en het aantal Koninkrijksverkondigers steeg van 12 in 1914 tot 18 in 1918. Een van degenen die de gelederen van de kleine gemeente Wellington in de oorlogsjaren versterkten, was Oliver Canty, een ex-officier van het Leger des Heils. Na de Schriftstudiën gelezen te hebben, besefte hij dat hij de waarheid had gevonden en trad uit het Leger des Heils. Hij trouwde in 1917 met een van de zusters in de gemeente Wellington en verhuisde naar Dunedin, waar hij tot zijn dood in 1934 gemeenteopziener was. Zo werd er in de op drie na grootste stad van het land een gemeente gevormd, waardoor het totale aantal gemeenten van noord tot zuid op zes kwam. Ze vormden de ruggegraat voor de energieke prediking die in de jaren twintig werd verricht.

HOE DE WAARHEID ZICH VERBREIDDE

De pioniers in die dagen waren baanbrekers in de ware zin van het woord. Zij drongen tot de ontoegankelijkste uithoeken van het land door, en dat in een tijd dat de middelen van vervoer zeer primitief waren en de wegen vaak weinig meer waren dan karresporen. Zuster Early was zo’n baanbreekster. Als latere pioniers ergens kwamen, ontdekten zij dat zuster Early er al vóór hen was geweest. Eén pionier merkte op: „Zuster Early was altijd ’early’, [vroeg], of je haar naam nu met een hoofdletter ’E’ of met een kleine ’e’ spelde.”

Toen zuster Early in 1943 op 74-jarige leeftijd stierf, had zij 34 jaar gepionierd. Zij bewerkte het hele land per fiets. Zelfs toen zij later aan artritis leed en niet meer kon fietsen, gebruikte zij de fiets om erop te steunen en om haar boeken te vervoeren als zij in het zakengebied van Christchurch werkte. Zij kon wel trappen klimmen, maar moest wegens haar handicap achterwaarts naar beneden! Op een avond vroeg haar dokter: „Bent u gereed om naar de hemel te gaan, juffrouw Early?”

„Het kan niet snel genoeg gebeuren, dokter”, antwoordde zij. Ongetwijfeld was zij zich van haar hoop bewust. En de ’dingen die zij heeft gedaan, gingen tegelijk met haar’. — Openb. 14:13.

Openbare lezingen, gehouden door broeders van het Australische bijkantoor, droegen ook in belangrijke mate tot de theocratische groei in de jaren twintig bij. Zo woonde Bill Cooper bijvoorbeeld de lezing „Miljoenen nu levende mensen zullen nimmer sterven” bij, die in 1920 door William Johnston in de stadsgehoorzaal van Wellington werd gehouden. Bill kwam in de waarheid en was jarenlang presiderend opziener in Wellington.

Toen dezelfde lezing in de goudmijnstad Waihi werd gehouden, aanvaardden de jonge Bill Samson en zijn vrouw de uitnodiging om te komen luisteren. Zij lieten hun naam en adres achter en werden door Ed Nelson en zijn vrouw bezocht. Later werd het nabezoek overgedragen aan Fred Franks, die de Samsons verder hielp in de waarheid te komen.

Tot degenen die in de jaren twintig met de gemeente Christchurch verbonden waren, die toen in een spaarzaam verlichte binnenkamer van de „Builders’ Chambers” bijeenkwam, behoorde een ex-soldaat die in de Eerste Wereldoorlog een been had verloren — Michael Cassidy O’Halloran. Ja, Mick was een Ier en was katholiek geweest. Later, toen hij in het ziekenhuis lag om zijn andere been te laten amputeren, kon het ziekenhuispersoneel zich niet voorstellen dat een man met zo’n typisch Ierse naam een van Jehovah’s Getuigen kon zijn. Ondanks zijn handicap stond Mick jarenlang in Nieuw-Zeeland en Australië in de volle-tijddienst. Altijd opgewekt en met geestige Ierse gevatheid deed hij veel om anderen, jong en oud, op het pad der waarheid aan te moedigen.

De door ijverige werkers verspreide lectuur van het Genootschap heeft velen geholpen de weg der waarheid te gaan bewandelen. Reg Johnston, die in Thames woonde, nog een goudmijnstad in de buurt van Waihi, kon zich de tijd niet heugen dat de zes delen van de Schriftstudiën niet op de boekenplank van de familie stonden. Voordat zijn moeder in 1916 stierf, sprak zij wel eens met hem over de dingen die in deze boeken stonden. Daar Reg meer wilde weten, zocht hij later contact met „Opa” Franks, zoals Fred Franks vader werd genoemd. Reg verklaarde:

„Avond aan avond hielp deze oude broeder me de waarheden te begrijpen die ons zo dierbaar zijn. Vaak zei hij als het weer tegen middernacht liep: ’Het is tijd om naar huis te gaan, Reg.’

Mijn vader leefde nog, en hij en andere familieleden waren woedend over mijn nieuwe religie. In Thames noemden zij deze religie ’Franks’ religie. Ten slotte kwam het tot een uitbarsting: Pa jaagde me het huis uit omdat ik niet trouw wilde blijven aan de Kerk van Engeland.”

Reg Johnston trouwde later en diende samen met zijn vrouw, Reta, drie en een half jaar op Bethel in Australië. In 1940 keerde hij naar Nieuw-Zeeland terug en diende van 1940 tot 1946 als „broederdienaar” zoals kringopzieners destijds werden genoemd.

Ken Pepin kwam in 1924 uit Engeland naar Nieuw-Zeeland. Op een dag in september 1928, toen hij na een lange dag zijn werelds werk verliet, hoorde hij een man met een zucht van verlichting uitroepen: „Hoera! Weer een dag dichter bij het graf!”

Ken wendde zich tot een collega die naast hem liep en zei: „Hij zal wel bedoelen een dag dichter bij de hemel, hè?”

„Nee, hij heeft gelijk”, kwam het onverwachte antwoord. Het gesprek ontwikkelde zich enkele minuten totdat zij bij een tramhalte kwamen. Hier gingen zij uiteen om in verschillende richtingen naar huis te gaan. De volgende ochtend gaf Kens collega hem echter de brochure Waar zijn de Dooden? Ken vertelt zelf:

„Ik las de brochure om te bewijzen dat wat erin stond, niet waar was. Ik vergeleek elke verklaring en aangehaalde tekst met de bijbel. Ik kwam echter tot de ontdekking dat mijn vroegere geloofsopvattingen onjuist waren. Ik ben nooit meer naar de kerk gegaan.” Ken diende later jarenlang als pionier in Nieuw-Zeeland.

Cliff Keoghan was als slager in Taumarunui, in het centrum van het Noord Eiland, werkzaam. Zijn verloofde in Auckland schreef hem in 1928 dat zij zojuist een boek had gelezen dat de bijbel bijzonder duidelijk uitlegde. Zij pakte het boek, De Harp Gods, in en verstuurde het naar hem. Op die dag brandde haar huis tot de grond toe af. Alles ging verloren, maar het boek was per post onderweg.

Dat boek veranderde Cliffs leven. Hij keerde naar Auckland terug en begon de vergaderingen van de plaatselijke gemeente, die uit ongeveer 30 personen bestond, te bezoeken. Nu is hij ouderling in Auckland, waar 21 gemeenten en zo’n 1800 Koninkrijksverkondigers zijn.

Aan het eind van de jaren twintig was de werkloosheid in Nieuw-Zeeland een probleem. Het was een tijd waarin onder normale omstandigheden niemand zijn wereldse werk opgaf. Maar in 1928 deed Bert Christensen dat en ging de pioniersdienst in. „Ik heb er geen moment spijt van gehad”, verklaarde hij. Zijn gebiedstoewijzing? De hele westkust van het Zuid Eiland! Het kostte Bert zes maanden om zijn gebied te bewerken. Hij overnachtte bij vrienden of in pensions.

In 1928 waren er in Nieuw-Zeeland 10 pioniers en zo’n 63 personen die een gedeelte van hun tijd aan het werk besteedden. Zij verspreidden dat jaar ongeveer 12.000 boeken en 28.000 brochures. Om deze ijverige predikers bevoorraad te houden, werd er in 1928 in Wellington een lectuurdepot opgericht. Uiteindelijk werd er op no. 69 in de Kent Terrace in Wellington een huis gekocht dat als depot diende. Deze plaats was het hoofdkwartier van Jehovah’s Getuigen in Nieuw-Zeeland totdat in 1947 het bijkantoor werd opgericht.

MAORI-VERGADERING

De eerste Maori-vergadering werd in 1928 in het huis van Tuiri Tareha in Taradale, aan de oostkust van het Noord Eiland, gehouden. Tuiri had van familieleden lectuur van het Genootschap gekregen en was er al spoedig van overtuigd dat hij de waarheid had gevonden. Dus trok hij zich terug uit de Kerk. Zijn zoon Charles beschrijft wat er gebeurde:

„Dit bracht een hele opschudding bij de anglicaanse hiërarchie teweeg, omdat pa in de Maori-gemeenschap een vooraanstaande positie innam. Zij belegden onmiddellijk een speciale vergadering met het doel hem ertoe te brengen zijn uittreden te herroepen. Pa stemde toe in de vergadering, mits die niet in de kerk gehouden zou worden, maar op ons terrein, waar voor die gelegenheid een groot podium werd opgezet. Een aantal geestelijken, onder wie F. Bennett, de anglicaanse bisschop van Nieuw-Zeeland, samen met een grote menigte van zo’n 400 anderen, zowel blanken als Maori’s, waren aanwezig.

De woordvoerder van de Kerk, een Maori, scheen met opzet het gebruik van de bijbel te vermijden. In plaats daarvan deed hij een beroep op de emoties. ’Onze voorouders geloofden dat de ziel na de dood voortbestaat’, zo zei hij, ’en toch hebt u verkozen een religie te aanvaarden die het voortbestaan van de ziel ontkent.’ Vervolgens toonde pa aan de hand van de bijbel aan dat de mens zelf de ziel is en dat daarom bij de dood van de mens de ziel sterft. Pa legde ook uit dat God een mens weer als levende ziel kan opwekken.

Toen duidelijk werd dat de anglicaanse geestelijke zijn toehoorders niet kon overtuigen, maakte hij een ongeduldig gebaar in de richting van de nabijgelegen kerk, die mijn overgrootvader had gebouwd, en riep met een geëmotioneerde stem uit: ’Ik doe een laatste beroep op je: Geef dit heilige erfdeel, dat je door je illustere voorouders is nagelaten, niet op.’

Daarna stond pa op, bedankte allen voor hun komst en verklaarde dat hij er meer dan ooit van overtuigd was dat hij nu de waarheid bezat. Hij deelde iedereen de dag en het uur van onze geregelde bijbelstudie mee en nodigde allen uit die te bezoeken. Velen deden dat ook.”

DE WAARHEID BEREIKT EEN EENZAME SCHAAPHERDER

In 1929 werkte Lew James op een grote schapenfokkerij in de nabijheid van Cheviot, op het Zuid Eiland. Op een warme, zonnige dag zou hij na het middageten net een dutje gaan doen in de hut, toen er een gedaante in de deuropening verscheen. Het was Ben Brickell, een jonge man die zei dat hij moeite deed om „alle mensen te bereiken en hen te helpen door persoonlijke studie een kennis van Gods Woord de bijbel te verkrijgen”. Lew begon hem met vragen te bestoken: „Wat gebeurt er als men sterft? Is er werkelijk een plaats van eeuwige pijniging?”

„Het gemak waarmee de man zijn bijbel opsloeg en de schriftplaatsen voorlas, om mijn vragen te beantwoorden verbaasde me werkelijk”, verklaarde Lew. „Bijna een uur lang luisterde ik geboeid terwijl hij me vertelde over de opstanding de komende duizendjarige vrede, het herstelde paradijs op aarde en, bovenal, over het feit dat Jehovah de ware God is.”

Lew kocht de vier boeken Schepping, Profetie, Bevrijding! en Regeering en deed het verzoek hem meer lectuur te sturen. Al gauw bleef hij halve nachten op om met de andere schaapherders over de bijbel te spreken, en hij liet hun ook De Wachttoren lezen. Ten slotte schreef hij naar het bijkantoor in Australië en bood zich aan als pionier, waarop hij instructies kreeg om Frank Grove in Christchurch op te zoeken. Hij verliet de schapenfokkerij en ging op weg naar Christchurch waar voor hem een nieuwe loopbaan als pionier in Jehovah’s dienst begon.

DE KONINKRIJKSBELANGEN OP DE EERSTE PLAATS STELLEN

Omstreeks die tijd had Cliff Keoghan trouwplannen. In ons maandelijkse Bulletin (nu Onze Koninkrijksdienst) verscheen de vetgedrukte kop: „GAAT OOK GIJ IN DE WIJNGAARD.” „Dit scheen ons een duidelijke oproep toe dat het ’t elfde uur was”, legde Cliff uit. En dus brachten hij en zijn vrouw Edna in 1930 hun twee wittebroodsweken in de pioniersdienst door. Hun gebied strekte zich uit van Opotiki tot Dannevirke, bijna een kwart van het Noord Eiland! Cliff beschreef een van hun slaapgelegenheden:

„In Opotiki huurden we een kleine blikken hut, waar we op een spiraalmatras sliepen. Die was op kisten gelegd, en er was slechts een deken over het spiraal uitgespreid. Wij noemden het onze ’drukpers’ wegens de afdrukken die er na een nacht slapen op ons lichaam stonden.”

In 1931 kregen de Keoghans een zoon en daarom brachten zij de winter in Auckland door. Maar een paar maanden later waren zij met hun zoontje weer op pad om de Koninkrijksboodschap naar de mensen te brengen.

PIONIEREN IN MOEILIJKE TIJDEN

De Keoghans sloten zich aan bij anderen die pionierden. Tot de pioniers behoorden Norman en Olive Cochrane, Wally Wood en zijn dochter Eileen, Len en Arthur Rowe en Len Belcher. De groep begon iets ten zuiden van Auckland en bewerkte verder zuidwaarts alle districten van kust tot kust.

Nieuw-Zeeland bevond zich toen in een economische crisis, en de mensen hielden met moeite het hoofd boven water. Er waren door de regering werkverschaffingskampen ingericht in de Hauraki Plains, een gebied dat voornamelijk uit moerasland bestond. Uit alle delen van het Noord Eiland stroomden mannen, onder wie artsen en advocaten, naar het kamp. Sommigen waren zelfs van Wellington, een afstand van ruim 480 km, komen lopen. Hun werk bestond erin het land te ontwateren en kanalen te graven om het moerasland te ontsluiten. De meesten van deze mannen luisterden naar de pioniers, maar zij konden de lectuur niet betalen.

Toen december 1932 naderde, reisden de pioniers naar het nationale congres in Wellington. Broeder MacGillivray, de bijkantoordienaar van Australië, en Herald Gill, die de toewijzing had ontvangen om het predikingswerk in Nieuw-Zeeland te organiseren, waren op dit congres aanwezig. Hier kregen de pioniers de toewijzing om beide hoofdeilanden te bewerken.

DE BEWERKING VAN HET NOORD EILAND

Eén groep pioniers kreeg instructies om zich 145 km ten noorden van Wellington, in Palmerston North, te vestigen. Zij hadden een auto en een woonwagen (merk Buick), twee tenten en vier fietsen. De fietsen werden vervoerd op een rek dat voor op de auto was bevestigd. Bij zijwegen werd er een fiets afgeladen en stapte een pionier uit om dat gebied te bewerken. Gewoonlijk predikten de zusters in de steden en bewerkten de broeders het landgebied.

Toen zij in Eketahuna kampeerden, vertrokken de broeders om 6 uur ’s morgens en fietsten dagelijks ruim 40 km over hobbelige grindwegen. Vaak klopten zij bij de ene boerderij na de andere aan, slechts om te ontdekken dat ze verlaten waren. De gezinnen waren gewoon weggetrokken omdat zij door de economische crisis alles verloren hadden. Zelfs het meubilair was achtergelaten. De mensen die aangetroffen werden, waren gewoonlijk blij het goede nieuws van het Koninkrijk te horen en te weten dat zij op Jehovah’s bestemde tijd ’lang van het werk van hun handen zouden genieten’. — Jes. 65:22, Authorized Version.

Toen deed zich iets onverwachts voor. In de gemeente Auckland ontstonden door het eigenmachtige optreden van sommige gekozen ouderlingen ernstige moeilijkheden. Daarom gaf het bijkantoor van Australië de groep pioniers de opdracht naar Auckland terug te keren om de loyalen te steunen en daar een pioniershuis op te zetten. Zo werd het geplande groepswerk op het Noord Eiland onderbroken.

DE PIONIERSGROEP OP HET ZUID EILAND

De groep op het Zuid Eiland telde zo’n 12 tot 14 pioniers. Harold Gill organiseerde de groep, waarbij ook Jim Tait zich mettertijd aansloot.

Jim was een serieuze jongeman, die de uitnodiging aannam om in het Stadstheater van Christchurch een grammofoonlezing van J. F. Rutherford te komen beluisteren. Bij zijn aankomst werd hij aan Harold Gill voorgesteld. Harold vroeg of hij hem de avond daarop voor het Stadstheater kon ontmoeten daar hij had vernomen dat Jim werkelijk belangstelling toonde voor hetgeen hij gehoord had. De volgende avond molk Jim haast-je-repje de koeien en legde op de fiets de ongeveer 10 km naar het Stadstheater af. Zij gingen in Harolds auto zitten en praatten. Op het laatst zei Gill: „Als je er zeker van bent dat dit Gods organisatie is, dan moet je nu gaan pionieren!”

„Wat bedoel je met ’pionieren’?” vroeg Jim.

En dus werd Jim de regeling van de pioniersdienst en het groepswerk uitgelegd. Wilde hij zijn werelds werk en de daarmee verbonden zekerheid in zo’n moeilijke tijd opgeven? Hij besloot te gaan pionieren en beschreef wat er gebeurde:

„Broeder Gill haalde me, zoals was afgesproken, thuis af. Het was een warme dag en er stond een krachtige noordwestenwind. Ik droeg een marineblauw pak en een gloednieuwe hoed. Mijn bezittingen en mijn fiets werden op zijn auto geladen. Ik zei mijn ouders gedag en vertrok om me bij het groepje pioniers aan te sluiten, nog steeds niet helemaal wetend wat pionieren in feite betekende. Eén ding geloofde ik vast: Ik had me bij Gods organisatie aangesloten.”

DAPPERE VERKONDIGERS VAN HET GOEDE NIEUWS

Deze geharde pioniers waren bereid en in staat om hard werk en ongunstige omstandigheden te verdragen. Zij werkten acht tot tien uur per dag en ontvingen geen vergoeding, maar leefden uitsluitend van de inkomsten uit de lectuur, die hun tegen gereduceerde prijs werd verschaft.

De winter op het Zuid Eiland was een beproeving op hun volharding. Als de pioniers ’s morgens wakker werden, hingen in hun tent ijspegels, die in de nacht door de condensatie van hun adem waren ontstaan. De wanden van de tent waren bevroren en zo hard als een plank. Om zich te kunnen wassen, moesten zij eerst een ijslaag van wel een centimeter dik stukhakken. Vaak zaten de broeders met hun winterjassen aan te ontbijten om warm te blijven.

Eén dag per week werd terzijde gezet voor het nakijken en repareren van hun „stalen rossen” en om de was te doen. Het laatste gebeurde op primitieve wijze in een open petroleumblik, dat op een petroleumtoestel stond. De zusters streken met een petroleumstrijkijzer, terwijl de broeders hun pantalons geperst hielden door ze elke avond onder de matras te leggen.

De in 2 Korinthiërs 11:26 opgetekende ervaring van de apostel Paulus, dat hij zich „in gevaren van rivieren” bevond, herhaalde zich toen de pioniers het kleine stadje Tuatapere, ver in het zuiden, bereikten. Op dat moment werkten zij in twee groepjes van zes. Enkele broeders kampeerden net buiten Tuatapere, aan de oever van de rivier de Waiau. Zij vonden een gammele kleine hut, die niet gebruikt werd, en trokken erin.

Het weer was ongewoon zacht, waardoor het ontijdig ging dooien in de bergen. De rivier steeg, maar de pioniers maakten zich niet al te veel zorgen daar zij aan de avondmaaltijd zaten. Maar toen het donkerder werd, zagen zij vol schrik dat het water tegen de planken van de vloer kabbelde. Zij zaten in de val! Zij hadden maar twee kaarsen voor verlichting. Laat in die nacht vielen zij, na een gebed tot Jehovah opgezonden te hebben, eindelijk in slaap.

In de loop van de nacht trad de rivier buiten haar oevers. Al gauw sloegen er stukken drijfhout en boomstammen tegen hun gammele hut, waardoor zij wakker werden. Een van de pioniers strekte zijn hand uit om de dekens op zijn bed te trekken en voelde tot zijn schrik water! Het was een angstaanjagende ervaring! De volgende morgen dankten zij Jehovah toen zij zagen dat het waterpeil tot onder de vloer was gezakt, een stinkend laagje modder en slik achterlatend. Tijdelijk geïsoleerd, bleven zij er nog een nacht totdat het veilig was naar de weg te waden om hun dienst voor Jehovah onverschrokken voort te zetten.

Het Zuid Eiland werd tweemaal door de groep bewerkt. Interessant is dat Jim Tait pas in 1933 — na een heel jaar met de groep gepionierd te hebben — op een koude oktoberdag in zee werd gedoopt. Tijdens de tweede ronde over het eiland probeerde Jim genoeg geld van zijn lectuurverspreiding over te houden om een kunstgebit te kopen. Toen zij hun ronde hadden beëindigd, constateerde hij dat hij precies het vereiste bedrag, namelijk £25 (ƒ 100), bezat. Wat was hij blij dat Jehovah hem op deze wijze had geholpen deze noodzakelijke aanschaf te kunnen doen! Maar voordat hij het gebit kon kopen, ontving hij een brief van het Genootschap waarin hem werd gevraagd of hij naar de Chatham Eilanden wilde gaan, die in die tijd maagdelijk gebied waren.

De Chatham Eilanden liggen zo’n 800 km ten oosten van Christchurch en worden als een deel van Nieuw-Zeeland beschouwd. De bevolking bestond destijds uit circa 800 Maori’s, die zich voornamelijk met landbouw en visserij bezighielden. De mensen leefden zeer eenvoudig; zij hadden zelfs nog nooit een fiets gezien. Het enige middel van vervoer was het paard. Jim zou per schip van Lyttelton naar Waitangi moeten reizen, een kleine haven op het hoofdeiland van de Chatham Eilanden, en hij moest zijn eigen overtocht betalen — precies £25!

DIENEN OP DE CHATHAM EILANDEN

Daar ging Jim dan naar de Chatham Eilanden, en zijn kunstgebit bleef voorlopig een hartewens voor de toekomst. Met verscheidene dozen boeken en brochures kwam hij aan. Hier volgt zijn relaas:

„Ik kende niemand op het eiland, en ik werd dus ook niet afgehaald. Iedereen had een paard. Er waren geen wegen en geen gemotoriseerde voertuigen van welke aard ook. Ik benaderde een boer en huurde een paard bij hem. Ik maakte tassen van zakken, vulde die met boeken en hing ze aan beide zijden van het zadel. Ik had ook een zak op mijn rug, met mijn scheerspullen en een handdoek erin, en zo ging ik op weg om het eiland met de Koninkrijksboodschap te bewerken.

De mensen waren nieuwsgierig en ’s avonds was er altijd wel iemand die me onderdak verleende. Wat was ik Jehovah daar dankbaar voor! Er waren dagen dat ik heel wat kilometers aflegde en slechts één of twee huizen bezocht. Op een keer kreeg ik een heel vreemde wegaanduiding om een schapenfokkerij op 40 km afstand te bereiken. Zo was één wegwijzer een hoop droge beenderen van een daar gestorven os. Hier zou een verandering van richting me brengen naar een bepaald punt waar ik een ondiep meer in moest gaan, dat ik over een breedte van 6 km in rechte lijn moest oversteken, want als ik uit de koers zou raken, zouden het paard en ik vast komen te zitten in een soort drijfzand. Ik begon me af te vragen: Zal Jehovah vannacht voor me zorgen? Zal ik op de boerderij ontvangen worden? En als ze me nu niet binnenlaten?

Het was donker toen ik mijn paard aan het hek bij het huis vastbond. Met mijn boekentas ging ik naar de deur en klopte aan. Een vrouw deed open, keek me aan en riep uit: ’Jim Tait! Wat doe jij hier?’ Ja, het was een jonge vrouw die als kind met mij op dezelfde school was. Ik werd heel hartelijk welkom geheten. Jehovah God had weer voor me gezorgd. Wat was ik gelukkig! Bijna al mijn boeken werden op de boerderij verspreid en de volgende dag maakte ik de terugreis naar Waitangi.”

Na twee maanden op de Chatham Eilanden getuigenis te hebben gegeven en vele dozen boeken verspreid te hebben, keerde Jim naar Lyttelton, de haven van Christchurch, terug. Hij trok zijn onkosten af van de bijdragen die hij voor de lectuur had ontvangen en kwam tot de ontdekking dat hij nog precies £25 had. Hij kon dus zijn kunstgebit kopen! Jaren later ontmoette hij tot zijn vreugde op een congres een zuster met een jong gezin die zich nog herinnerde hem voor het eerst gezien te hebben toen hij op de Chatham Eilanden bij hen aan de deur kwam.

AANKONDIGINGSWERK IN CHRISTCHURCH

De gemeente Christchurch trof regelingen om een openbare lezing te houden in een theater in het centrum van de stad. Het zou de grammofoonlezing „Fascisme of vrijheid — Welke van de twee?” van Joseph F. Rutherford, de president van het Wachttorengenootschap, zijn. De gemeenteraad verleende een vergunning om de lezing door middel van een groepje bordenlopers aan te kondigen. De te volgen route werd de broeders opgegeven zodat zij niet in botsing zouden komen met een gelijktijdig gehouden optocht van muziekkorpsen, die aan een wedstrijd deelnamen.

De broeders gingen twee aan twee met hun aankondigingsborden op weg. Toen zij de hoofdstraat naderden, hoorden zij het geluid van de muziekkorpsen dichterbij komen. Net toen zij bij de kruising kwamen, trok er een muziekkorps voorbij dat opgewekte marsmuziek speelde. Tussen dit korps en het volgende fanfarekorps was een ruimte van zo’n 15 meter. Wat zouden de broeders doen? Met hun aankondigingsborden voor de lezing vulden zij regelrecht dit gat tussen de korpsen op. Het was een geweldig getuigenis voor de duizenden toeschouwers die aan weerszijden van de straat stonden! Die zondag had de kleine gemeente Christchurch 500 aanwezigen op hun openbare lezing. Wat een machtig getuigenis!

IJVERIGE ZUSTERS

Ondertussen gingen op het Noord Eiland zuster Ida Thompson en de zusters Barton, Jones en Priest in de jaren dertig vooraan in het predikingswerk. Zij waren vaak negen dagen achtereen van huis weg en bewerkten dan alle steden en boerderijen tot op honderden kilometers ten noorden van Wellington. Zij namen vrachten lectuur mee en verspreidden die bijna altijd tot het laatste stuk toe. Vaak overnachtten zij in hooischuren of sliepen in hun auto. Zij waren bereid zich ter wille van het Koninkrijk ontberingen te getroosten en hielden deze predikingsactiviteit van 1932 tot 1940 vol. Ida Thompsons zoon Adriaan was een van de eerste zendelingen die in 1949 naar Japan trokken, waar hij als eerste kringopziener van Jehovah’s Getuigen in dat land een soortgelijke „pioniersgeest” aan de dag legde.

De nadruk lag in die vroege jaren geheel en al op de verspreiding van lectuur. Mensen werden aangemoedigd de publikaties te lezen en te bestuderen, maar bijbelstudies zoals wij die nu kennen, waren onbekend. Het zaad der waarheid werd echter overvloedig gezaaid.

HET WERK MET DE GELUIDSWAGEN

Een van de voornaamste hulpmiddelen voor de verkondiging van de Koninkrijksboodschap in die tijd was de geluidswagen. De stem van broeder Rutherford werd door de luidspreker versterkt zodat zijn toespraken soms 5 kilometer ver nog te horen waren. Op een keer zei een huisvrouw tegen Jim Tait: „Vanochtend heb ik iets heel vreemds gehoord. Uit de wolken klonk muziek en ik hoorde een mannenstem. Ik dacht dat het einde van de wereld gekomen was!” Toen de zaak haar was uitgelegd, nam zij graag bijbelse lectuur.

In Auckland werd het werk met de geluidswagen met gemengde gevoelens ontvangen. Soms werden de verkondigers, die de geluidswagen volgden, al door de huisbewoners met het geld voor de lectuur in de hand opgewacht. Er waren echter ook keren dat een woedende menigte de auto met stenen bekogelde en probeerde de luidspreker van het dak te trekken.

HET BEZOEK VAN J. F. RUTHERFORD

In april 1938 bracht J. F. Rutherford op weg naar een congres in Australië zijn eerste en laatste bezoek aan Nieuw-Zeeland. In de Fountain of Friendship Hall sprak hij de gemeente Auckland toe. Nog diezelfde avond vertrok broeder Rutherford per schip naar Sydney (Australië), nu met 14 broeders uit Nieuw-Zeeland als zijn reisgenoten. Allen werden op 15 april in zijn privé-suite aan boord van het schip uitgenodigd voor de viering van het Avondmaal.

Op de terugreis twee weken later werd er aan boord van het schip een georganiseerd getuigenis gegeven. Er werden ’s morgens vroeg, voordat iemand besefte wat er aan de hand was, pamfletten onder de deur van elke hut geschoven. Bij aankomst in de haven van Auckland op 2 mei 1938 had broeder Rutherford nog een paar uur speling, welke tijd hij benutte om in de Stadsgehoorzaal van Auckland tijdens het lunchuur een openbare lezing te houden.

ACTIVITEIT TERWIJL ZICH DONKERE WOLKEN SAMENPAKKEN

In 1939 kreeg Robert Lazenby de toewijzing om zorg te dragen voor het lectuurdepot van Nieuw-Zeeland in Wellington. Reg Johnston, die op Bethel in Australië had gediend, voegde zich bij hem. In die tijd waren er slechts zo’n 12 broeders en zusters met de gemeente Wellington verbonden. Zij kwamen bijeen in de zitkamer van het huis aan de Kent Terrace no. 69, waar zich ook het lectuurdepot bevond. In 1939 waren er in Nieuw-Zeeland 320 Koninkrijksverkondigers, onder wie 35 pioniers, en zij waren georganiseerd in 19 gemeenten.

Er pakten zich nu donkere wolken van religieuze tegenstand samen. Vooral de katholieke Kerk ergerde zich erover dat haar leerstellingen en praktijken zo aan de kaak werden gesteld in de lectuur die de Getuigen verspreidden. Het Nieuwzeelandse katholieke tijdschrift Tablet sprak in zijn uitgave van 19 april 1939 over Jehovah’s Getuigen en verklaarde: „Ondertussen is het de plicht van alle goede staatsburgers om bij hun vertegenwoordiger in het Parlement te protesteren tegen deze groeiende dreiging. Bij voldoende protest zou de regering wel gedwongen zijn handelend op te treden.”

PREDIKING VERBODEN

Een jaar later, op 13 oktober 1940, kondigden de broeders in het kleine stadje Oamaru op het Zuid Eiland de grammofoonlezing van broeder Rutherford aan, getiteld „Regering en vrede”. Die avond waren er zo’n 40 personen aanwezig om naar de lezing te luisteren, onder wie een politieagent. In Europa woedde de Tweede Wereldoorlog, en de vervolging van de Getuigen had ernstige vormen aangenomen. Daarom stonden George Edwards en Hallett Ridling bij de deur op wacht. Een zekere William Meehan, gewapend met een .303 geweer met een bajonet erop, stapte op hen af met de woorden: „Ik heb jullie allebei onder schot. Dus handen omhoog of ik schiet.”

In het handgemeen dat daarop volgde, probeerden de twee broeders de man te ontwapenen. Het geweer ging af en Frederick MacAuley, die in de buurt stond, viel neer. Zijn been was geraakt. De wond bloedde hevig en dus werd hij vlug naar het ziekenhuis gebracht. Zes dagen later was zijn toestand zo kritiek dat zijn been geamputeerd moest worden. Daarna herstelde hij voorspoedig. Toen Meehan voor het gerecht werd gebracht, werd hij alleen schuldig bevonden aan het bedreigen van Edwards en MacAuley met een geweer. Hij werd tot twee maanden gevangenisstraf met dwangarbeid veroordeeld.

Drie dagen na het schietincident schreef de secretaris van de Veteranenvereniging in Oamaru, de heer A. C. Piper, aan de algemeen secretaris van de Veteranenvereniging van Nieuw-Zeeland in Wellington het volgende:

„Op een Bestuursvergadering van de Veteranenvereniging in Oamaru werd eenstemmig de volgende resolutie aangenomen: Dat wij met het oog op de tragische gebeurtenissen die zich op 13 oktober 1940 in Oamaru hebben voorgedaan op een bijeenkomst van de sekte die zich ’Jehovah’s Getuigen’ noemt, en met het oog op de sterke plaatselijke publieke opinie omtrent deze sekte, de regering zouden willen verzoeken de sekte in het gehele gebied van Nieuw-Zeeland te verbieden. . . . Aan hun activiteiten dient een halt te worden toegeroepen voordat er in andere delen van het land verdere moeilijkheden worden veroorzaakt.”

En zo werd in oktober 1940 de activiteit van Jehovah’s Getuigen in Nieuw-Zeeland verboden. Het is echter interessant dat zes weken later, tijdens het debat over de noodmaatregelen in verband met de oorlog, premier P. Fraser zei:

„Ik spreek niet voor een bepaalde kerk, maar als premier acht ik het als mijn plicht . . . erop toe te zien dat tijdens de oorlog beledigingen van personen wegens hun religie achterwege blijven of, indien mogelijk, onder de gegeven omstandigheden geheel vermeden worden. . . . Ik hoop dat de procureur-generaal tot een overeenkomst kan komen met Jehovah’s Getuigen, want ik twijfel niet aan hun oprechtheid of hun goede bedoelingen. Wij hebben niets op hen aan te merken en wij trekken hun recht om hun religie volgens hun geweten uit te oefenen, niet in twijfel.”

Op 8 mei 1941 vaardigde de regering een amendement op het verbod inzake Jehovah’s Getuigen uit. Daardoor werden hun bijeenkomsten „voor bijbelstudie, gebed of godsdienstoefening” wettig verklaard. In de praktijk was het de broeders en zusters ook toegestaan van huis tot huis getuigenis te geven, mits zij alleen de bijbel bij zich hadden. Daar hielden zij zich aan.

ACTIVITEIT TIJDENS HET VERBOD

Vlak voor het verbod werd er in de Daniell Street 177 een pand gekocht dat als Bethelhuis gebruikt zou worden daar de ruimte in de Kent Terrace no. 69 te klein was geworden. Het gebouw aan de Kent Terrace werd tot na de opheffing van het verbod in 1945, als pension verhuurd. Toen het verbod werd uitgevaardigd, werd de lectuur over alle gemeenten van het land verdeeld. Ze werd onder bedden, in schuren en op vlieringen verborgen. In het huis aan de Daniell Street scheidde Reg Johnston een groot stuk van de vliering af, maakte er een luik in en sloeg er lectuur op. Uit deze voorraad voerde hij postbestellingen uit en vulde de voorraad naar behoefte aan uit voorraden die in de huizen van de broeders en zusters overal in de stad opgeslagen waren.

De politie had de gewoonte om onaangekondigd bij de verkondigers huiszoeking te doen naar lectuur van het Genootschap. Vaak was die zo goed verborgen dat men ze niet kon vinden. Eén zuster had lectuur verborgen onder het vloerkleed, en de politie liep erop zonder iets te vinden. Een andere broeder herinnert zich: „Alles wat zij vonden, waren onze persoonlijke studie-exemplaren. Wat zij niet wisten was, dat er 50 dozen met lectuur op zolder stonden.”

Molly Thompson typte stencils van elk studieartikel in De Wachttoren. Er werden afdrukken gemaakt en voor studiedoeleinden naar de gemeenten gezonden. Het nieuwe boek Kinderen werd ook gestencild, en er werden duizend exemplaren afgedraaid en in deeltjes naar de broeders gezonden, samen met studievragen voor de boekstudies midden in de week. De stenciluitrusting verborg men achter wand- en plafondbetimmeringen in het afgelegen huis van George Covacich in Auckland.

De broeders en zusters kwamen ook ’s avonds laat in het geheim bijeen om brochures in brievenbussen te stoppen en kwamen dan soms pas om twee uur ’s ochtends weer thuis. De volgende dag was er grote opschudding als de mensen de politie opbelden. In Christchurch werd zuster Messervey betrapt en een week gevangen gehouden. De politie wilde weten wie de leiders van Jehovah’s Getuigen in Nieuw-Zeeland waren. Zij zei dat zij het hun als een speciale gunst zou vertellen. Toen de drie mannen zich gespannen om haar heen hadden geschaard, fluisterde zij hun tot hun grote ergernis toe dat de leiders Jehovah God en Christus Jezus waren.

In de vier maanden onmiddellijk na de uitvaardiging van het verbod waren er 14 rechtszaken. Een aantal broeders kregen gevangenisstraffen van drie maanden terwijl anderen voorwaardelijk werden veroordeeld. Grace Bagnall was aan het prediken toen de politie haar arresteerde naar aanleiding van een telefoontje van een rooms-katholieke man. Toen zij weigerde de boete van £5 (ƒ 20), te betalen, werd zij 14 dagen gevangen gehouden.

NEUTRAAL STANDPUNT LEIDT TOT INTERNERING

Tijdens de oorlog richtte de regering interneringskampen in. Wegens hun weigering in militaire dienst te gaan, werden de broeders gedurende de gehele oorlog en nog zes maanden daarna in die kampen geïnterneerd. Er waren acht van zulke kampen, en ongeveer 80 broeders brachten er elk ruim vier en een half jaar in door. Zij werden te werk gesteld bij het bomen snoeien in de dennewouden, bij wegwerkzaamheden en ander werk van dien aard. Robert Lazenby en Reg Johnston konden de broeders in deze kampen eenmaal per maand een uur per keer bezoeken.

In de wintermaanden hadden de geïnterneerde broeders het zwaar te verduren. Zij woonden in hutten, die niet verwarmd mochten worden. De inkt bevroor in de inktpotten. De broeders legden lagen kranten tussen de dekens en ook onder zich om aldus een betere isolering tegen de kou te hebben. Alhoewel de kampen met prikkeldraad waren afgezet en er 24 uur per dag wacht werd gelopen, vonden exemplaren van De Wachttoren en andere nieuwe publikaties toch hun weg in de kampen.

Er werden verschillende methoden uitgedacht om publikaties de kampen binnen te smokkelen. Als Doris Best haar man Cliff bezocht, werd hun baby aan hem overhandigd. Hij gaf op zijn beurt de baby aan de andere broeders door om ’m even vast te houden. In de kleertjes zat lectuur verstopt en als die verwijderd was, werd de baby aan z’n moeder teruggegeven. Ook werden er tijdschriften in vetvrij papier gewikkeld en in een cake gebakken, die dan aan gevangenen werd opgestuurd.

Tijdens hun verblijf in de kampen predikten de broeders de Koninkrijksboodschap aan iedereen die wilde luisteren. Er werden ook vergaderingen gehouden, en in het Strathmore-kamp, zo’n 60 km van Rotorua vandaan, werd zelfs een congresprogramma georganiseerd. De broeders mochten gebruik maken van een lange dubbele hut, die beschikbaar was voor religieuze bijeenkomsten. Zij stelden het programma op aan de hand van een programma dat het kamp was binnengesmokkeld. In het geheim nodigden zij andere gedetineerden uit, en velen woonden samen met de 31 broeders het programma bij.

VERBOD OPGEHEVEN

Ondertussen bleven de broeders buiten sterke druk op de regering uitoefenen om het verbod opgeheven te krijgen. Op 29 maart 1945 maakten de kranten in heel Nieuw-Zeeland ten slotte de opheffing van het verbod bekend. De Wellingtonse krant Dominion berichtte onder een kleine kop over één kolom:

„Procureur-generaal Mason maakte gisteren de opheffing van de speciale beperkingen die Jehovah’s Getuigen waren opgelegd, bekend. Hij zei dat hij de door hem in het kader van de Algemene Noodmaatregelen voor de Openbare Veiligheid uitgevaardigde verordening, waarbij hun organisaties omverwerpend werden verklaard, had herroepen. . . . In Australië (alsook in andere landen) waren Jehovah’s Getuigen al geruime tijd niet meer aan beperkingen onderhevig, met volkomen bevredigende resultaten. . . . De Regering had het volste vertrouwen dat dezelfde goede resultaten waarmee de opheffing van de restricties in Australië gepaard was gegaan, ook in Nieuw-Zeeland ervaren zouden worden.”

Tot op deze dag uiten tegenstanders van ons werk graag de beschuldiging dat Jehovah’s Getuigen tijdens de oorlog subversieve elementen bleken te zijn. Maar deze beschuldiging wordt krachtig weerlegd door het feit dat het verbod werd opgeheven terwijl de oorlog nog woedde. De Katholieke Actie had met de Veteranenvereniging een samenzwering op touw gezet en getracht aan te tonen dat Jehovah’s Getuigen onrust stookten en dat het schietincident in Oamaru een aanwijzing was voor de soort van moeilijkheden die de regering overal in het land kon verwachten als Jehovah’s Getuigen niet beteugeld werden.

De opheffing van het verbod schiep wat vreemde situaties voor de broeders. In Christchurch belde de politie Andrew Downie op om te zeggen dat hij alle in beslag genomen publikaties kon komen ophalen. Met gepaste Schotse onbuigzaamheid zei broeder Downie: „Maar meneer, wij hebben ze niet bij u gebracht.” En vervolgens maakte hij duidelijk dat omdat de politie de boeken in beslag had genomen, hij van hen verwachtte dat zij ze terug zouden brengen. De politiewagen moest twee ritten maken om alle boeken terug te brengen.

Ondanks het verbod maakte het aantal Koninkrijksverkondigers een sprong van 320 in 1939 naar 536 in 1945. Nu de oorlog voorbij was, volgde er een nog grotere toename. In 1949 werd er een hoogtepunt van 1131 verkondigers bereikt! En dat jaar werd het eerste congres gehouden, waarop meer dan 1000 aanwezigen waren.

DE ORGANISATIE VERSTERKEN

In december 1946 arriveerde Charles Clayton. Hij was de eerste afgestudeerde van de Gileadschool die aan Nieuw-Zeeland werd toegewezen. In maart daarop bezocht de president van het Wachttorengenootschap, Nathan H. Knorr, Nieuw-Zeeland en werd er in Wellington een bijkantoor gevestigd. Robert Lazenby werd de bijkantoordienaar. Een paar maanden later arriveerden er nog drie afgestudeerden van Gilead — Howard Benesch, Orville Crosswhite en Samuel Betley.

Broeder Betley leerde de Maori-taal en kon helpen bij de uitbreiding van het werk onder de Maori’s. Het Yearbook van 1950 bericht:

„De vooruitzichten voor een grotere toename onder het Maori-ras zijn heel goed. . . . In de loop van het jaar werden er twintig openbare lezingen in het Maori gehouden, met een totaal aantal aanwezigen van 470, van wie de meesten vreemden waren. Voordat de lezing begint en naar Maori-gebruik, verwelkomt een van de dorpsoudsten eerst de spreker en bezoekers uit andere dorpen. Aan het eind vertrekken de mensen niet onmiddellijk, maar blijven om de lezing te bespreken. Misschien houden één of twee personen voor de vuist weg een toespraak, waarin elk zijn mening over de door de spreker opgeworpen punten tot uitdrukking brengt. De een kan het volkomen eens zijn met wat er is gezegd. Een ander zal misschien zijn misnoegen te kennen geven en vragen opwerpen. Dan heeft de spreker het laatste woord, waarbij hij de punten verduidelijkt die verdere uitleg behoeven. Dergelijke besprekingen, allemaal in het Maori, duren vaak nog lang na het slot van de openbare vergadering voort.”

De eerste Koninkrijkszaal in Nieuw-Zeeland werd in 1950 in Waima door de Maori-broeders gebouwd. Veel van het timmerhout kwam van bomen die op hun eigen grond en bodem werden geveld.

KONINKLIJKE BEZOEKERS ONTVANGEN LECTUUR

Begin 1954 hoorde de koningin van Engeland door een Maori-zuster over de activiteit van Jehovah’s Getuigen in Nieuw-Zeeland. De in Wellington (Nieuw-Zeeland) verschijnende krant Dominion berichtte:

„Een bijbel en een boek, uitgegeven door het Wachttorengenootschap, werden vandaag onverwacht aan de Koningin overhandigd door een Maori-vrouw, die op het podium in McLean Park (Napier) was gekomen om aan Hare Majesteit en de hertog van Edinburgh voorgesteld te worden. De heer en mevrouw Tuiri Tareha behoorden tot de 74 personen die aan de koninklijke bezoekers werden voorgesteld. In plaats van de Koningin de hand te schudden, overhandigde mevrouw Tareha Hare Majesteit een klein, keurig in bruin papier gewikkeld pakje.”

Het pakje bevatte de Engelse Nieuwe-Wereldvertaling van de Christelijke Griekse Geschriften en een exemplaar van het boek „Nieuwe hemelen en een nieuwe aarde”. Broeder Tareha verklaarde, volgens een aanhaling uit een krantebericht: „De Koningin heeft eens gezegd dat zij wilde dat zij de wijsheid van Salomo bezat, om haar volk met billijkheid en recht te kunnen regeren. Wij waren ervan overtuigd dat deze boeken haar zouden helpen.”

GROEI IN DE JAREN VIJFTIG

Het begin en het midden van de jaren vijftig werd gekenmerkt door een opmerkelijke theocratische groei in Nieuw-Zeeland. In 1951 luisterden op het nationale congres dat in de Stadsgehoorzaal van Wellington werd gehouden, 1645 aanwezigen naar de openbare lezing van broeder Knorr: „Roep vrijheid uit in het gehele land.” De Nieuwzeelandse Herald van 31 december 1953 wierp in een commentaar op een kort tevoren gehouden volkstelling de vraag op, hoe het kwam dat Jehovah’s Getuigen zich in zo’n toename in aantallen verheugden. Er stond:

„De toenemende immigratie weerspiegelt zich in enkele van de totalen. De Nederlands Hervormde Kerk bijvoorbeeld had in 1945 slechts 37 aanhangers in Nieuw-Zeeland, maar in 1951 kon ze aanspraak maken op 264 lidmaten. Zo simpel laat de toename van Jehovah’s Getuigen van 650 tot 1756 in dezelfde periode zich niet verklaren.”

Wellicht werd de verklaring voor de groei van Jehovah’s Getuigen ten dele verschaft door een vooraanstaande Nieuwzeelandse anglicaanse geestelijke, Dean Chandler. In de krant Star-Sun van Christchurch schreef hij over deze aangelegenheid het volgende:

„Misschien schieten wij wel het ernstigst te kort in het herderlijke bezoek, want zoals het voor een herder nodig is voortdurend zijn kudde na te gaan, zo is het ook nodig dat wij gelegenheden zoeken om met onze mensen over levensvragen te spreken die hun geest kwellen en hen te bevrijden uit sommige van de ketterse strikken waarin zij licht terechtkomen. Nu ik dit heb gezegd, ben ik mij pijnlijk bewust van mijn eigen tekortschieten in dit opzicht.”

Hij vervolgde:

„Ik ben er meer dan ooit van overtuigd dat het gedrukte woord het gesproken woord in steeds toenemende mate moet aanvullen. Als wij willen dat onze mensen sterk zijn in het geloof, moeten wij hen aanmoedigen veel meer te lezen en te studeren dan zij thans doen.”

Precies daartoe hebben Jehovah’s Getuigen de mensen in Nieuw-Zeeland aangemoedigd, en zij hebben hen de nodige hulp geboden. Velen hebben hier gunstig op gereageerd en zijn tot christelijke rijpheid gegroeid. In feite zorgde Nieuw-Zeeland ervoor dat er ook in andere gebieden geestelijke hulp geboden kon worden. In 1951 waren er in totaal 13 pioniers uit Nieuw-Zeeland aan de Gileadschool afgestudeerd en naar andere landen gezonden om daar te dienen. Onder hen bevond zich Rudolph Rawiri, de eerste Maori die deze school bezocht. Hij keerde later naar Nieuw-Zeeland terug om kringwerk te doen.

NIEUW BIJKANTOORGEBOUW

In 1956 bracht broeder Knorr opnieuw een bezoek aan Nieuw-Zeeland. Deze keer kwamen 3510 personen luisteren naar de openbare lezing die hij op het nationale congres in het Carlaw Park van Auckland hield. Tijdens zijn bezoek werd besloten om in Auckland een stuk grond te kopen en daar een nieuw bijkantoor te bouwen.

Alhoewel Wellington de hoofdstad van het land is, en ook het bijkantoor zich daar bevond, is Auckland een sneller groeiende stad. Daarom werden de nieuwe gebouwen voor het Bethelhuis, het kantoor, de Koninkrijkszaal, de verzendafdeling en de drukkerij in Auckland opgericht. In maart 1958 was de bouw voltooid en kon de Bethelfamilie erin trekken.

Van 13 tot 15 juni 1958 werd er een stimulerend driedaags programma gehouden in verband met de inwijding van de nieuwe Koninkrijkszaal en de bijkantoorgebouwen van het Genootschap. Dit viel samen met een ééndagsbezoek van 150 Australische broeders en zusters die op weg waren naar het in 1958 gehouden internationale congres in New York. Na enige tijd vertrokken er ook 152 afgevaardigden uit Nieuw-Zeeland naar dit gedenkwaardige internationale „Goddelijke wil”-congres. De afgevaardigden vertegenwoordigden ruim de helft van de 87 gemeenten van Nieuw-Zeeland. De broeders werden door deze gebeurtenissen zeer aangemoedigd, zodat er in augustus in Nieuw-Zeeland een nieuw hoogtepunt van 3346 Koninkrijksverkondigers werd bereikt. Dat betekende dat er nu één verkondiger op 616 personen in het land was.

Diezelfde maand, toen velen van de Nieuwzeelandse broeders op het „Goddelijke wil”-congres waren, stierf de bijkantoordienaar, Robert Lazenby. Het gebeurde plotseling, terwijl hij in de gemeente Mt. Albert in Auckland een dienstlezing hield. In een brief aan broeder Gibbons, die het bericht had doorgegeven, zei broeder Knorr:

„Ik heb altijd van de omgang met broeder Lazenby genoten en ik ben erg blij te weten dat hij in getrouwheid, om zo te zeggen ’in het harnas’, gestorven is, en dat hij steeds zijn broeders heeft gediend. Dat is een heel mooie manier om heen te gaan. Ik wist dat hij ziek was en ik zou heel graag gezien hebben dat hij op het congres was geweest, maar het is een vreugde te horen dat hij op de hoogte was van de geweldige resultaten van het congres en van alles wat hier is gebeurd.”

Benjamin Mason, een Gileadiet die sinds 1957 op het bijkantoor van Nieuw-Zeeland had gediend, werd de nieuwe bijkantoordienaar.

WETTELIJKE STRIJD

In januari 1958 vroegen de broeders of zij de War Memorial Hall (Oorlogsgedenkzaal) van Levin Borough mochten gebruiken voor een driedaags congres. De gemeenteraad van Levin Borough stemde hierin toe totdat de Veteranenvereniging (RSA) zich sterk afkeurend uitsprak. Er werd een resolutie aangenomen, die erop neerkwam dat „een oorlogsgedenkzaal geheiligd is ter nagedachtenis aan degenen die in tijd van gevaar hun land hebben gediend”, en dat daarom Jehovah’s Getuigen het gebruik van de zaal ontzegd moest worden. Hoewel enkele gemeenteraadsleden zich tegen de druk van de RSA verzetten, gaf de meerderheid toe. Dit betekende dat tientallen Oorlogsgedenkzalen voor de Getuigen gesloten zouden zijn.

De broeders gingen tot wettelijke stappen over om te proberen deze discriminerende poging om hun het gebruik van deze faciliteiten te ontzeggen, ongedaan te maken. Bij de behandeling van de zaak in mei 1959 zei de advocaat van het Genootschap, F. H. Haigh, in zijn betoog het volgende:

„Dit verbod kan men slechts als hoogst zonderling betitelen, en het besluit dat wat mensen tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben gedaan, in 1958 doorslaggevend moet zijn om te bepalen of zij recht hebben op het gebruik van een utilitaire oorlogsgedenkzaal, laat zich niet in het minst rechtvaardigen. Het optreden van de gemeenteraad komt op het weigeren van een grondrecht en een ongerechtvaardigde discriminatie neer.”

Op 21 augustus 1959 velde rechter T. A. Gresson van het Hooggerechtshof van Nieuw-Zeeland het volgende vonnis:

„Er is geen twijfel mogelijk dat de burgers van de gemeente die Jehovah’s Getuigen zijn, een wettig deel van de gemeenschap vormen, en daarom moeten zij naar mijn mening, ook al gaat het om een minderheid, dezelfde wettelijke rechten genieten en dezelfde wettelijke verplichtingen nakomen als de leden van de Veteranenvereniging. Door de eiser het gebruik van de zaal te weigeren, heeft de gedaagde gemeenteraad naar mijn mening de ruime bepalingen van deze stichting geweld aangedaan . . .

Onder deze omstandigheden verklaar ik: ’Dat de Watch Tower Bible and Tract Society . . . recht heeft op het gebruik van de Mount Roskill War Memorial Hall om er bijbellezingen te houden, en wel op redelijke tijden en op de door de gemeenteraad van Mt Roskill vast te stellen redelijke voorwaarden.’”

De volgende dag stond er in alle dagbladen een verslag over het vonnis. Onder de kop „Gemeenteraad moet zoete broodjes bakken”, schreef de Waiheke Resident van Auckland:

„Rechter Gresson velde inzake religieuze discriminatie door de plaatselijke autoriteiten een vonnis dat alle acht van onze onwetende raadsleden heeft geschokt. . . . De raad had zich, evenals een aantal andere willoze plaatselijke autoriteiten overal in het land, gehaast de RSA te gehoorzamen toen deze vereniging hun beval Jehovah’s Getuigen het gebruik van de Oorlogsgedenkzalen te ontzeggen. Rechter Gresson verklaarde dat de Getuigen net zo veel rechten hebben als de RSA. En dus moet de raad de Waiheke Memorial Hall nu openstellen voor de Getuigen of openlijk de wet trotseren, zoals zij de democratische rechten van de Getuigen hebben getrotseerd. Nu kunnen de Getuigen hun God op hun eigen manier aanbidden, zonder onderhevig te zijn aan de tirannie van de gemeenteraad van Waiheke.”

„EEUWIG GOED NIEUWS”-CONGRES

In 1963 werd in het stadstheater van Auckland — Nieuwzeelands grootste theater — het „Eeuwig goed nieuws”-congres gehouden. Maar ook dat theater was niet groot genoeg en dus werd tevens de 2000 zitplaatsen tellende stadsgehoorzaal van Auckland gebruikt om alle bezoekers onder te brengen. Het hoogtepunt van 6005 aanwezigen omvatte 191 bezoekers uit 16 landen. Fred W. Franz, toen vice-president van het Wachttorengenootschap, bevond zich onder de afgevaardigden die een reis om de wereld maakten om deze reeks „Eeuwig goed nieuws”-vergaderingen bij te wonen.

Bij zijn aankomst werd broeder Franz op het trottoir vóór het stadstheater volgens het Maori-gebruik welkom geheten. Voorbijgangers werden onmiddellijk aangetrokken door de zingende Maori-dansers in vrolijke inheemse dracht. Het was moeilijk te zeggen wie er het meest van de ongewone welkomstceremonie genoot, de enthousiaste toeschouwers of broeder Franz en de Maori-zusters, die hem met een handdruk en met neuswrijven begroetten.

Dit congres was werkelijk een mijlpaal in de geschiedenis van Nieuw-Zeeland. Radio en televisie besteedden er ongekende aandacht aan, met als hoogtepunt een 95 seconden durende film over de doop. Er werd een voortreffelijk getuigenis gegeven, zowel door de prediking van de congresafgevaardigden als door hun gedrag. „Jullie zijn de best georganiseerde mensen die ik ooit heb gezien en jullie gedrag is zonder weerga”, zei de manager van het stadstheater.

DE BOUW VAN KONINKRIJKSZALEN

Zoals reeds eerder vermeld, hadden de Maori’s in 1950 de eerste Koninkrijkszaal in Nieuw-Zeeland gebouwd. Pas in 1955 werd Nieuwzeelands tweede Koninkrijkszaal ingewijd, in Gisborne. Maar in de jaren zestig werden er 58 Koninkrijkszalen gebouwd en trokken de broeders en zusters uit de gehuurde zalen — die vaak muf waren en naar sigaretterook en alcohol stonken — en betrokken zij prachtige, schone nieuwe gebouwen die opgedragen waren aan Jehovah’s aanbidding. Wat zijn de broeders daar dankbaar voor!

Dit bouwprogramma is in de jaren zeventig voortgezet. Momenteel zijn er 119 gemeenten van Jehovah’s Getuigen in Nieuw-Zeeland en 112 daarvan houden hun vergaderingen in hun eigen Koninkrijkszaal. En er worden plannen gemaakt voor nog meer zalen.

„VREDE OP AARDE”-CONGRES

In november 1969 werd in het schilderachtige Alexandra Park van Auckland de paardenrenbaan van de Trotting Club door 1500 vrijwilligers in een prachtig congresterrein veranderd. Meer dan 5000 potplanten, 300 bomen en struiken en vele vierkante meters kunstgazon werden ter opluistering van het podium gebruikt. Op een bloembed vóór het podium kon men in bloemenschrift het woord „HAERE-MAI” (Maori voor „Welkom”) lezen. Dit ter gelegenheid van het zesdaagse internationale „Vrede op aarde”-congres, dat door N. H. Knorr, F. W. Franz en nog vele andere afgevaardigden uit het buitenland werd bezocht.

Er werd een speciaal programma voor de overzeese afgevaardigden opgevoerd, met onder meer Maori-zang en -dans. Een Maori-broeder vertelde het enthousiaste publiek dat er 193 van zijn bloedverwanten op het congres aanwezig waren. Dit illustreerde duidelijk hoe goed de Maori’s op de Koninkrijksboodschap reageerden.

Enkele bestuursleden van de Aucklandse renbaan hadden zich er in eerste instantie twijfelachtig over uitgelaten hun faciliteiten door Jehovah’s Getuigen te laten gebruiken. Hoe hun mening na het congres was, blijkt uit een officieel schrijven van de secretaris van de club:

„Nu uw congres ten einde is, wil ik van de gelegenheid gebruik maken om namens het bestuur u en al uw afgevaardigden te bedanken voor de uitstekende wijze waarop uw vergaderingen op de Alexandra Park Renbaan werden gehouden.

Ook willen wij u en uw medewerkers danken voor de geweldige medewerking waarvan u blijk hebt gegeven en voor de wijze waarop u de faciliteiten tijdens uw verblijf hebt onderhouden.

Mocht u ooit weer een congres in deze omgeving willen houden, dan hopen wij dat u gebruik zult maken van de faciliteiten van het Alexandra Park.

Tot slot wil ik ook namens de Renbaanmanager mijn dank uiten aan alle betrokkenen en u vertellen dat het werkelijk een genoegen is geweest u hier te hebben.”

Ja, renbaanfunctionarissen, hoteleigenaars, verkeersagenten en zakenlieden — allen prezen oprecht en ongevraagd de reinheid, de vriendelijkheid en het voorbeeldige gedrag van de Getuigen. Een veiligheidsagent zei dat hij in zijn 40-jarige diensttijd nog nooit iets dergelijks had gezien. Sommigen beschreven het als het best georganiseerde congres dat ooit in Nieuw-Zeeland was gehouden.

Opnieuw gaven de nieuwsmedia goede publiciteit aan het congres. De doop van 421 nieuwe Getuigen werd in het hele land bekendgemaakt. Een congresspreker merkte op dat één op de tien gedoopte, actieve Getuigen in Nieuw-Zeeland op 7 november 1969 op dit congres was gedoopt. Tijdens de openbare lezing „De weg terug naar vrede in het paradijs”, die door broeder Knorr werd uitgesproken, was er een geweldig aantal van 8400 personen aanwezig.

VERGROTING VAN BIJKANTOOR

In 1973 was er een hoogtepunt van ruim 6000 Koninkrijksverkondigers bereikt, en het in 1958 voltooide bijkantoor was te klein geworden. Dus werd er in juli 1973 met de bouw van een grote toevoeging aan het oorspronkelijke gebouw begonnen. In de Koninkrijksdienst van december 1973 stond:

„Op zondag 18 november werd de laatste steen gelegd . . . Het gehele project werd tot op de dag af precies in 18 weken voltooid. Voorlopige cijfers tonen dat in die tijd 248 verschillende broeders zo’n 16.000 uren aan het werk hebben besteed. Wat zijn wij dankbaar voor hun geweldige ondersteuning. Wij ondervinden nu reeds de voordelen van de grotere werkruimte.”

MIJLPAAL-CONGRESSEN IN DE JAREN ZEVENTIG

Het internationale „Goddelijke zegepraal”-congres in 1973 was voor Christchurch, de grootste stad op het Zuid Eiland, de grootste theocratische gebeurtenis die men ooit had meegemaakt. Met de 500 bezoekers uit Australië en 350 uit Noord-Amerika groeide de menigte in Lancaster Park aan tot het opmerkelijke aantal van 11.640, ruim 3000 boven het aantal dat het internationale congres van 1969 had bijgewoond. Leo K. Greenlees van het Besturende Lichaam was de hoofdspreker op het congres.

Vijf jaar later, in december 1978, was het internationale „Zegevierend geloof”-congres in het Eden Park in Auckland de grootste bijeenkomst van Jehovah’s Getuigen die ooit in Nieuw-Zeeland was gehouden. Het hoogste aantal aanwezigen was 12.328. Lloyd Barry, John Booth en Ted Jaracz, drie broeders van het Besturende Lichaam, hadden een aandeel aan het congresprogramma.

ZORG DRAGEN VOOR DE GEESTELIJKE BEHOEFTEN

In de loop van de jaren zijn zo’n 60.000 Polynesiërs van de eilanden Samoa, Tonga, Niue en Rarotonga in Nieuw-Zeeland komen wonen en werken; zo’n 36.000 van hen hebben zich in en rondom Auckland gevestigd. Om voor de geestelijke behoeften van deze mensen zorg te dragen, werd er in februari 1977 in Auckland een Samoaans-sprekende gemeente opgericht. Het is een van de snelst groeiende gemeenten in het land; 216 personen woonden in maart 1980 de Gedachtenisviering bij.

Ten einde de broeders toe te rusten om de met schapen te vergelijken personen doeltreffender te helpen, zijn er speciale scholen opgericht. In 1978 bezochten bijvoorbeeld 700 christelijke ouderlingen in Nieuw-Zeeland de herziene, 15 uur durende cursus van de Koninkrijksbedieningsschool. In 1979 trokken 184 volle-tijdpredikers veel voordeel van de tweeweekse cursus van de Pioniersschool. En omstreeks dezelfde tijd namen John Wills, Ed Gibbons, Charles Tareha en John Cumming, leden van het bijkantoorcomité van Nieuw-Zeeland, aan de vijfweekse leergang voor leden van bijkantoorcomités in Brooklyn deel. Daar ontvingen zij praktisch onderricht om hen te helpen zich van hun verantwoordelijkheden in verband met het zorgdragen voor de geestelijke behoeften van de mensen in Nieuw-Zeeland te kwijten.

Nog een fijne voorziening ter bevordering van het theocratische onderwijzingswerk is de nieuwe congreshal van Jehovah’s Getuigen in Nieuw-Zeeland. De oude State Cinema in een voorstad van Auckland, oorspronkelijk gebouwd in 1934, werd gekocht en door zo’n 400 Getuigen, die vrijwillig hun diensten aanboden, volledig gerenoveerd. Deze prachtige zaal werd in februari 1978 ingewijd en sedertdien houden zeven kringen daar elk half jaar hun kringvergaderingen.

MET JEHOVAH’S STEUN

Als wij een terugblik werpen op het werk van Jehovah’s Getuigen in Nieuw-Zeeland sedert het ruim 75 jaar geleden een aanvang nam, dan is de zegen van Jehovah God duidelijk te zien. Elke week stromen nu duizenden personen naar ruim 100 prachtige Koninkrijkszalen om meer over hun God Jehovah en zijn grootse voornemen te leren. Op 31 maart 1980 was een grote menigte van 15.385 personen aanwezig voor het Avondmaal. Velen van hen verkondigen actief de Koninkrijkshoop.

Er zijn nu ruim 7000 verkondigers van de Koninkrijksboodschap in Nieuw-Zeeland. Ongeveer 350 van hen zijn pioniers. In totaal besteden alle verkondigers jaarlijks ongeveer een miljoen uren aan de prediking en zij verspreiden ruim een miljoen exemplaren van de tijdschriften De Wachttoren en Ontwaakt! Nagenoeg elk huis in Nieuw-Zeeland wordt zo’n drie keer per jaar door een van Jehovah’s Getuigen bezocht.

Wat er met betrekking tot de prediking van het goede nieuws van het Koninkrijk in Nieuw-Zeeland, alsook elders ter wereld, is bereikt, is niet eenvoudig toe te schrijven aan de krachtsinspanningen of bekwaamheden van een mens of een groep van mensen. Neen, het is veeleer zoals Jehovah zelf zegt: „Niet door een krijgsmacht, noch door kracht, maar door mijn geest.” — Zach. 4:6.

[Kaart op blz. 208]

(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)

Nieuw-Zeeland

TASMAN ZEE

GROTE OCEAAN

Auckland

Thames

Waihi

Rotorua

Opotiki

Gisborne

Taumarunui

Taradale

Dannevirke

Palmerston North

Eketahuna

Lower Hutt

WELLINGTON

Manakau

Cheviot

Christchurch

Lyttelton

Oamaru

Dunedin

Tuatapere

Invercargill

[Illustratie op blz. 210]

Bill Barry (rechts): In Christchurch stond de waarheid bekend als ’Bill Barry’s religie’ zijn zoon Lloyd (links) is nu een lid van het Besturend Lichaam van Jehovah’s Getuigen

[Illustratie op blz. 214]

Frank Grove stond tot zijn dood in 1967 in de pioniersdienst — meer dan 50 jaar

[Illustratie op blz. 220]

Charles Tareha, een Maori, dient nu op Bethel in Nieuw-Zeeland. Toen zijn vader, een vooraanstaand Maori, de waarheid aanvaardde, veroorzaakte dit in de religieuze Maori-gemeenschap een hele opschudding

[Illustratie op blz. 228]

Pionieren in de jaren dertig op het Zuid Eiland „in gevaren van rivieren”

[Illustratie op blz. 230]

Nadat Jim Tait slechts een lezing van J. F. Rutherford had gehoord, gaf hij zijn baan en de daarmee gepaard gaande zekerheid op en werd pionier

[Illustratie op blz. 232]

Een van de geluidswagens, met behulp waarvan de Koninkrijksboodschap werd bekendgemaakt

[Illustratie op blz. 237]

Bethelhuis in de Daniell Street 177 waar tijdens het verbod lectuur op de vliering werd verborgen

[Illustratie op blz. 242]

Maori-broeders bouwden in 1950 In Waima de eerste Koninkrijkszaal in Nieuw-Zeeland

[Illustratie op blz. 247]

Robert Lazenby diende tot zijn dood in 1958 vele jaren als bijkantoordienaar

[Illustratie op blz. 249]

Broeder Franz werd bij zijn bezoek aan het „Eeuwig goed nieuws”-congres in Auckland volgens het Maori-gebruik met een handdruk en met neuswrijven begroet

[Illustratie op blz. 253]

Bijkantoor in Auckland

[Illustratie op blz. 255]

De oude State Cinema in Devonport, een voorstad van Auckland, werd gekocht en in een congreshal veranderd