Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah

Jehovah

Jehovah

Definitie: De persoonlijke naam van de enige ware God, die hij zichzelf heeft gegeven. Jehovah is de Schepper en de rechtmatige Soevereine Heerser van het universum. „Jehovah” is de vertaling van het Hebreeuwse Tetragrammaton יהוה, hetgeen betekent „Hij veroorzaakt te worden”. Deze vier Hebreeuwse letters worden in veel talen met de letters JHVH of JHWH weergegeven.

Waar komt Gods naam in verschillende bijbelvertalingen voor?

Van der Palm-​bijbel (1825): De naam JEHOVA staat in Exodus 6:2. Zie ook Exodus 32:5; 34:5, 6; Psalm 83:19 [18]; Jesaja 42:8. (Maar als deze en andere vertalingen op verschillende plaatsen de naam „Jehovah” gebruiken, waarom wordt die dan niet consequent gebruikt op elke plaats waar het Tetragrammaton in de Hebreeuwse tekst voorkomt?)

Pieter Keur-​bijbel (1898): Bij Genesis 2:4 staat: „Onthoud dit eens voor al: waar gij voortaan het woord HEERE met groote letters geschreven vindt, dat aldaar in het Hebreeuwsch het woord JEHOVAH, of korter JAH staat.”

Henry’s Bijbelverklaring (ca. 1714; in 1912 in een herziene vertaling uitgegeven door J. H. Kok): In een voetnoot bij Genesis 2:4 staat: „Een naam gegeven aan den Schepper, . . . en die is Jehovah, waarvoor wij in onze overzetting steeds het woord HEERE in kapitale letters gebruiken, om aan te duiden, dat er in het oorspronkelijke Jehovah staat.”

Statenvertaling: Op de titelpagina van een uitgave van 1762 staat: „Wordende hier in ook, om gewigte en bekende redenen, Gods Gedenk-Naam JEHOVAH onvertaald gehouden.” De naam staat overal in de Hebreeuwse Geschriften.

De Bijbel door Willem Antony van Vloten (1789-1796): Zowel in de Hebreeuwse als de christelijke Griekse Geschriften wordt de naam overal gebruikt waar die in de oorspronkelijke tekst staat.

Nieuwe-Wereldvertaling: De naam Jehovah wordt in deze vertaling zowel in de Hebreeuwse als in de christelijke Griekse Geschriften gebruikt en komt 7210 maal voor.

Willibrordvertaling: De naam Jahwe komt overal in de Hebreeuwse Geschriften voor.

Het Nieuwe Testament (Herziene Voorhoeve-uitgave, 1982): In de voetnoot bij Matthéüs 1:20 staat: „’Heer’, zonder lidwoord in het Gr[ieks], duidt hier, zoals dikwijls in het N.T., de naam Jahweh aan.” („Jehovah” in de uitgave van 1931.)

King James Version: De naam Jehovah staat in Exodus 6:3; Psalm 83:18; Jesaja 12:2; 26:4. Zie ook Genesis 22:14; Exodus 17:15; Rechters 6:24.

American Standard Version: De naam Jehovah wordt in deze vertaling in de Hebreeuwse Geschriften consequent gebruikt, te beginnen met Genesis 2:4.

Douay Version: Een voetnoot bij Exodus 6:3 zegt: „Mijn naam Adonai. De naam, die in de Hebreeuwse tekst staat, is de meest passende naam voor God, waarmee zijn eeuwig, zelfbestaand wezen wordt aangeduid (Exod. 3, 14,) en welke naam de joden uit eerbied nooit uitspreken; maar in plaats daarvan lezen zij overal waar de naam in de bijbel voorkomt Adonai, wat de Heer betekent; en daarom plaatsen zij de klinkerpunten of klinkers die bij de naam Adonai horen, bij de vier letters van die andere, niet uit te spreken naam, Jod, He, Vau, He. Daarom hebben sommige hedendaagse vertalers de naam Jehovah verzonnen, een naam die aan allen in de oudheid, zowel aan joden als aan christenen, onbekend was; want de juiste uitspraak van de naam, zoals die in de Hebreeuwse tekst staat, is volkomen verloren gegaan omdat hij zo lang in onbruik is geweest.” (Het is interessant dat The Catholic Encyclopedia [1913, Deel VIII, blz. 329] zegt: „Jehovah, de eigennaam van God in het Oude Testament; daarom werd de naam door de joden aangeduid als de naam bij uitnemendheid, de grote naam, de enige naam.”)

The Bible in Living English, S. T. Byington: De naam Jehovah staat overal in de Hebreeuwse Geschriften.

The Emphatic Diaglott, Benjamin Wilson: De naam Jehovah staat in Matthéüs 21:9 en op 17 andere plaatsen in deze vertaling van de christelijke Griekse Geschriften.

The Holy Scriptures According to the Masoretic Text — A New Translation, Jewish Publication Society of America, hoofdredacteur Max Margolis: In Exodus 6:3 staat het Hebreeuwse Tetragrammaton in de Engelse tekst.

Waarom gebruiken veel bijbelvertalers de persoonlijke naam van God niet of slechts enkele keren?

Het voorwoord van de Revised Standard Version verklaart: „Het Comité is om twee redenen teruggekeerd tot het meer vertrouwde woordgebruik van de King James Version: (1) Het woord ’Jehovah’ is geen nauwkeurige weergave van enige vorm van de Naam die ooit in het Hebreeuws is gebruikt; en (2) het gebruik van welke eigennaam maar ook voor de ene ware God, alsof er andere goden waren van wie hij onderscheiden moest worden, had in het judaïsme vóór het christelijke tijdperk opgehouden te bestaan en is volkomen ongepast voor het universele geloof van de christelijke Kerk.” (Aldus zijn zij afgegaan op hun eigen mening van wat gepast was en hebben op grond daarvan de persoonlijke naam van de Goddelijke Auteur van de bijbel, wiens naam vaker in het oorspronkelijke Hebreeuws voorkomt dan welke naam of titel maar ook, uit de Heilige Schrift geschrapt. Zoals zij toegeven, volgen zij het voorbeeld van de aanhangers van het judaïsme, over wie Jezus zei: „Zo hebt gij dan het woord Gods krachteloos gemaakt ter wille van uw overlevering.” — Matth. 15:6.)

Vertalers die zich verplicht hebben gevoeld om de persoonlijke naam van God ten minste eenmaal of misschien enkele malen in de bijbeltekst zelf op te nemen, maar dit niet hebben gedaan op elke plaats waar hij in het Hebreeuws voorkomt, hebben klaarblijkelijk het voorbeeld gevolgd van William Tyndale, die in zijn in 1530 uitgegeven vertaling van de Pentateuch de goddelijke naam opnam en op deze wijze brak met de gewoonte om de naam geheel en al weg te laten.

Werd de naam Jehovah door de geïnspireerde schrijvers van de christelijke Griekse Geschriften gebruikt?

Hiëronymus schreef in de vierde eeuw: „Matthéüs, die ook Levi is, en die van belastinginner apostel werd, stelde allereerst in Judéa een Evangelie van Christus op in de Hebreeuwse taal en lettertekens ten behoeve van de besnedenen die gelovigen waren geworden” (De viris inlustribus, hfdst. III). Dit evangelie bevat elf rechtstreekse aanhalingen van gedeelten uit de Hebreeuwse Geschriften waar het Tetragrammaton voorkomt. Er bestaat geen reden om aan te nemen dat Matthéüs de passages niet citeerde zoals ze in de Hebreeuwse tekst waaruit hij de aanhalingen deed, voorkwamen.

Andere geïnspireerde schrijvers die bijgedragen hebben tot de inhoud van de christelijke Griekse Geschriften, hebben honderden passages aangehaald uit de Septuaginta, een vertaling van de Hebreeuwse Geschriften in het Grieks. In veel van deze passages was het Hebreeuwse Tetragrammaton gewoon in de Griekse tekst van vroege exemplaren van de Septuaginta opgenomen. In overeenstemming met het standpunt dat Jezus zelf ten aanzien van zijn Vaders naam innam, zouden Jezus’ discipelen die naam in deze aanhalingen hebben aangehouden. — Vergelijk Johannes 17:6, 26.

In de Journal of Biblical Literature schreef George Howard van de Universiteit van Georgia: „Wij weten dat de Grieks-sprekende joden יהוה in hun Griekse Geschriften bleven schrijven. Bovendien is het zeer onwaarschijnlijk dat vroege conservatieve Grieks-sprekende joodse christenen van deze gewoonte afweken. Hoewel zij in de bijkomende verwijzingen naar God waarschijnlijk de woorden [God] en [Heer] gebruikten, zou het voor hen uitzonderlijk ongewoon zijn geweest om het Tetragram uit de bijbeltekst zelf weg te laten. . . . Aangezien het Tetragram nog steeds voorkwam in de exemplaren van de Griekse bijbel die de Geschriften van de vroege kerk vormden, is het redelijk te geloven dat de schrijvers van het N[ieuwe] T[estament] bij het doen van aanhalingen uit de Schrift, het Tetragram in de bijbeltekst bewaarden. . . . Maar toen het uit het Griekse O[ude] T[estament] werd verwijderd, werd het ook uit de citaten van het O[ude] T[estament] in het N[ieuwe] T[estament] verwijderd. Zo moet ergens omstreeks het begin van de tweede eeuw het gebruik van surrogaten [vervangingen voor Gods naam] het Tetragram in beide Testamenten hebben verdrongen.” — Jaargang 96, nr. 1, maart 1977, blz. 76, 77.

Wat is de juiste vorm van de goddelijke naam — Jehovah of Jahweh?

Geen mens kan thans met zekerheid zeggen hoe die naam oorspronkelijk in het Hebreeuws werd uitgesproken. Waarom niet? Toen het bijbelse Hebreeuws oorspronkelijk werd geschreven, gebruikte men alleen medeklinkers en geen klinkers. Zolang het oude Hebreeuws nog dagelijks werd gesproken, konden de lezers de juiste klinkers gemakkelijk invullen. Na verloop van tijd begon onder de joden het bijgelovige idee post te vatten dat het onjuist was de goddelijke naam hardop uit te spreken en daarom gingen zij vervangende uitdrukkingen gebruiken. Eeuwen later ontwikkelden joodse geleerden een systeem van punten die moesten aangeven welke klinkers bij het lezen van het oude Hebreeuws moesten worden gebruikt, maar zij plaatsten de klinkers van de vervangende uitdrukkingen rond de vier medeklinkers waarmee de goddelijke naam werd weergegeven. Op deze wijze ging de uitspraak van de goddelijke naam verloren.

Veel geleerden geven de voorkeur aan de spelling „Jahweh”, hoewel hierover onzekerheid bestaat en zij het onderling niet eens zijn. Anderzijds is „Jehovah” de vorm van de naam die het gemakkelijkst wordt herkend omdat die in het Nederlands reeds eeuwenlang bekend is en de vier medeklinkers van het Hebreeuwse Tetragrammaton erin worden bewaard, zoals dat ook bij andere vormen van de naam gebeurt.

J. B. Rotherham heeft in The Emphasised Bible overal in de Hebreeuwse Geschriften de vorm Jahweh gebruikt. Later heeft hij in zijn Studies in the Psalms echter de vorm „Jehovah” gebruikt. Hij verklaarde: „JEHOVAH — Het gebruik van deze Engelse vorm van de Gedenknaam . . . in de huidige vertaling van het Psalter is niet ontstaan uit een twijfel ten aanzien van de meer correcte uitspraak, Jahwéh; maar uitsluitend uit praktisch oogpunt, op grond van persoonlijk bijeengebrachte bewijzen voor de wenselijkheid om in deze kwestie voeling te houden met wat men gewend is te lezen en te horen, waarbij het voornaamste de gemakkelijke herkenbaarheid van de bedoelde Goddelijke naam is.” — (Londen, 1911), blz. 29.

Nadat de Duitse hoogleraar Gustav Friedrich Oehler verscheidene uitspraken had besproken, concludeerde hij: „Van nu af gebruik ik het woord Jehovah, aangezien deze naam thans in werkelijkheid meer ingeburgerd is geraakt in onze woordenschat en niet verdrongen kan worden.” — Theologie des Alten Testaments, tweede editie (Stuttgart, 1882), blz. 143.

De jezuïtische geleerde Paul Joüon zegt: „In onze vertalingen hebben wij, in plaats van de (hypothetische) vorm Jahweh, de vorm Jéhovah gebruikt . . . de conventionele literaire vorm die in het Frans wordt gebruikt.” — Grammaire de l’hébreu biblique (Rome, 1923), voetn. op blz. 49.

De meeste namen veranderen enigszins wanneer ze van de ene taal in een andere worden overgezet. Jezus werd als jood geboren en misschien sprak men zijn naam in het Hebreeuws als Je·sjoeʹaʽ uit, maar de geïnspireerde schrijvers van de christelijke Griekse Geschriften aarzelden niet om de Griekse vorm van de naam te gebruiken, namelijk I·eʹsous. In de meeste andere talen bestaat er een gering verschil in uitspraak, maar wij maken vrijelijk gebruik van de vorm die in onze taal gebruikelijk is. Hetzelfde kan van andere bijbelse namen worden gezegd. Hoe kunnen wij dus gepaste achting tonen voor Degene aan wie de allerbelangrijkste naam toebehoort? Door zijn naam nooit uit te spreken of op te schrijven omdat wij niet precies weten hoe die naam oorspronkelijk werd uitgesproken? Of veeleer door de uitspraak en de spelling te bezigen die in onze taal gebruikelijk zijn, terwijl wij in gunstige zin over de Drager van die naam spreken en ons als zijn aanbidders op een wijze gedragen die hem tot eer strekt?

Waarom is het belangrijk Gods persoonlijke naam te kennen en te gebruiken?

Hebt u een nauwe band met iemand wiens persoonlijke naam u niet kent? Voor mensen die denken dat God geen naam heeft, is hij vaak alleen maar een onpersoonlijke kracht, geen werkelijke persoon, niet iemand die zij kennen en liefhebben en iemand met wie zij uit de grond van hun hart in gebed kunnen spreken. Als zij bidden, zijn hun gebeden slechts een ritueel, een vormelijke herhaling van woorden die zij van buiten hebben geleerd.

Ware christenen hebben van Jezus Christus de opdracht ontvangen om discipelen te maken van mensen uit alle natiën. Hoe zouden wij, wanneer wij deze mensen onderwijzen, kunnen laten zien dat de ware God van de valse goden der natiën verschilt? Alleen door Zijn persoonlijke naam te gebruiken, zoals de bijbel dat zelf ook doet. — Matth. 28:19, 20; 1 Kor. 8:5, 6.

Ex. 3:15: „God [zei] . . . tot Mozes: ’Dit dient gij tot de zonen van Israël te zeggen: „Jehovah, de God van uw voorvaders . . . heeft mij tot u gezonden.” Dit is mijn naam tot onbepaalde tijd, en dit is de gedachtenis aan mij van geslacht tot geslacht.’”

Ezech. 38:17, 23: „Dit heeft de [Soevereine] Heer Jehovah gezegd: ’. . . En ik zal mijzelf stellig grootmaken en mijzelf heiligen en mijzelf doen kennen voor de ogen van vele natiën; en zij zullen moeten weten dat ik Jehovah ben.’”

Mal. 3:16: „Degenen die Jehovah vreesden [spraken] met elkaar, elkeen met zijn metgezel, en Jehovah bleef aandacht schenken en luisteren. En er werd voorts een gedenkboek voor zijn aangezicht geschreven voor degenen die Jehovah vrezen en voor degenen die aan zijn naam denken.”

Joh. 17:26: „[Jezus bad tot zijn Vader:] Ik heb hun [zijn volgelingen] uw naam bekendgemaakt en zal hem bekendmaken.”

Hand. 15:14: „Simeon heeft nauwgezet verteld hoe God voor de eerste maal zijn aandacht op de natiën heeft gericht om uit hen een volk voor zijn naam te nemen.”

Zie ook Jesaja 12:4.

Is Jehovah in het „Oude Testament” dezelfde als Jezus Christus in het „Nieuwe Testament”?

Matth. 4:10: „Jezus [zei] tot hem: ’Ga weg, Satan! Want er staat geschreven: „Jehovah [„de Here”, NBG en andere], uw God, moet gij aanbidden en voor hem alleen heilige dienst verrichten.”’” (Natuurlijk zei Jezus niet dat hijzelf aanbeden moest worden.)

Joh. 8:54: „Jezus antwoordde [de joden]: ’Indien ik mijzelf verheerlijk, is mijn heerlijkheid niets. Mijn Vader is het, die mij verheerlijkt, van wie gij zegt, dat hij uw God is.’” (Uit de Hebreeuwse Geschriften blijkt duidelijk dat de joden Jehovah als God beleden te aanbidden. Jezus zei niet dat hijzelf Jehovah was, maar dat Jehovah zijn Vader was.)

Ps. 110:1: „De uitspraak van Jehovah tot mijn [Davids] Heer luidt: ’Zit aan mijn rechterhand, totdat ik uw vijanden tot een voetbank voor uw voeten stel.’” (In Matthéüs 22:41-45 legde Jezus uit dat hijzelf de in deze psalm genoemde „Heer” van David was. Jezus is dus niet Jehovah maar degene tot wie Jehovah’s woorden hier werden gericht.)

Fil. 2:9-11: „Juist daarom heeft God hem [Jezus Christus] ook tot een superieure positie verhoogd en hem goedgunstig de naam gegeven die boven elke andere naam is, zodat in de naam van Jezus iedere knie zich zou buigen van hen die in de hemel en die op aarde en die onder de grond zijn, en elke tong openlijk zou erkennen dat Jezus Christus Heer is, tot de heerlijkheid van God, de Vader.” (Merk op dat Jezus Christus hier duidelijk verschilt van God de Vader en aan Hem onderworpen is.)

Hoe kan iemand Jehovah liefhebben als hij Hem ook moet vrezen?

De bijbel vertelt ons dat wij Jehovah niet alleen moeten liefhebben (Luk. 10:27), maar hem ook moeten vrezen (1 Petr. 2:17; Spr. 1:7; 2:1-5; 16:6). Gezonde vrees voor God zal ons zeer behoedzaam maken, zodat wij ons niet zijn misnoegen op de hals zullen halen. Onze liefde voor Jehovah zal ons ertoe bewegen dingen te doen die hem behagen, onze waardering tot uitdrukking te brengen voor de talloze blijken van zijn liefde en onverdiende goedheid.

Illustraties: Een zoon vreest terecht zijn vader te mishagen, maar waardering voor alles wat zijn vader voor hem doet, dient de zoon er ook toe te bewegen oprechte liefde voor zijn vader tot uitdrukking te brengen. Een aqualongduiker zegt misschien dat hij de zee liefheeft, maar een gezonde vrees ervoor doet hem beseffen dat er bepaalde dingen zijn die hij moet vermijden. Op overeenkomstige wijze dient onze liefde voor God gepaard te gaan met een gezonde vrees om iets te doen waardoor wij ons zijn misnoegen op de hals zullen halen.