Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar inhoudsopgave

Waarom sommige wetenschappers in God geloven

Waarom sommige wetenschappers in God geloven

Waarom sommige wetenschappers in God geloven

DE WETENSCHAP ontrafelt voortdurend nieuwe geheimen over het universum en het leven dat in overvloed op onze planeet aanwezig is. Toch staan zowel wetenschappers als leken nog steeds voor fundamentele vragen zoals: Hoe is het universum ontstaan? Wat was er daarvóór? Waarom lijkt het universum specifiek ontworpen te zijn om leven in stand te houden? Hoe is het leven hier op aarde ontstaan?

De wetenschap kan deze vragen nog steeds niet echt beantwoorden. Sommige mensen betwijfelen of dit ooit wel het geval zal zijn. Velen hebben zich daarom gedrongen gevoeld om hun opvatting en overtuiging te heroverwegen. Laten we eens stilstaan bij drie van de mysteries die voor sommige wetenschappers aanleiding zijn om zich af te vragen of er een Schepper bestaat.

Een subtiel afgestemd universum — Toevallig?

Eén belangrijke vraag heeft te maken met de fijnafstemming van onze kosmos. Waarom is het universum toegerust met onveranderlijke natuurwetten en met natuurconstanten die precies en volmaakt geschikt zijn om een planeet zoals de onze en al het leven erop in stand te houden?

Wat bedoelen we met fijnafstemming? Neem bijvoorbeeld de precieze waarde van de vier fundamentele natuurkrachten: elektromagnetisme, gravitatie of zwaartekracht, sterke kernkracht en zwakke kernkracht. * Deze krachten zijn van invloed op elk object in het universum. Ze zijn zo precies vastgelegd en uitgebalanceerd dat zelfs minieme veranderingen het universum levenloos zouden kunnen maken.

Voor veel logisch denkende mensen moet de verklaring gewoon meer zijn dan louter toeval. John Polkinghorne, voorheen als natuurkundige verbonden aan de Universiteit van Cambridge, kwam tot de conclusie: „Als je je realiseert dat de natuurwetten ongelofelijk subtiel afgestemd moeten zijn om het universum zoals wij dat kennen voort te brengen, leidt dit onvermijdelijk tot de gedachte dat het universum niet bij toeval is ontstaan maar dat er een bedoeling achter moet zitten.”

De Australische natuurkundige Paul Davies kwam met een soortgelijk argument: „Het lijdt geen twijfel dat veel wetenschappers . . . het idee verachtelijk [vinden] dat er een God zou bestaan, of zelfs een onpersoonlijk scheppend beginsel.” Hij voegde eraan toe: „Persoonlijk deel ik hun verachting niet. . . . Ik kan niet geloven dat ons bestaan in dit universum niets is dan een gril van het lot, . . . een incidenteel bliepje in het grote kosmische drama.”

Het probleem van de complexiteit

Een tweede probleem dat de wetenschappers van vandaag voor vraagtekens plaatst, heeft te maken met de enorme complexiteit van de wereld om ons heen. Ons gezonde verstand zegt ons dat hoe ingewikkelder een gebeurtenis is, hoe onwaarschijnlijker het is dat ze toevallig zal plaatsvinden. Neem eens een voorbeeld.

Er moeten talloze chemische reacties in precies de juiste volgorde plaatsvinden om DNA te vormen, de bouwsteen van het leven. Dertig jaar geleden berekende dr. Frank Salisbury van de Universiteit van Utah (VS) hoe groot de kans was dat er zich spontaan een elementair DNA-molecuul, dat van essentieel belang is voor het ontstaan van leven, zou vormen. De berekeningen leverden een waarschijnlijkheid op die zo klein is dat het als wiskundig onmogelijk wordt beschouwd. *

Er is vooral sprake van complexiteit wanneer levende organismen ingewikkelde organen hebben die zonder andere ingewikkelde organen nutteloos zouden zijn. Laten we bijvoorbeeld eens naar de voortplanting kijken.

Volgens evolutietheorieën bleven levende organismen zich voortplanten terwijl ze steeds ingewikkelder werden. Maar bij een aantal diersoorten moest het vrouwtje op een bepaald moment geslachtscellen gaan produceren die door een mannetje met ’bijpassende’ geslachtscellen bevrucht moesten worden. Om de nakomelingen het juiste aantal chromosomen mee te geven, ondergaan de geslachtscellen van elke ouder een opmerkelijk proces dat meiose wordt genoemd, waarbij de cellen van elke ouder de helft van het normale aantal chromosomen overhouden. Dit proces voorkomt dat de nakomelingen te veel chromosomen zouden hebben.

Natuurlijk zou dit proces zich ook bij andere soorten moeten afspelen. Hoe heeft de ’eerste moeder’ van elke soort dan het vermogen verworven om zich met behulp van een volledig ontwikkelde ’eerste vader’ voort te planten? Hoe kan het dat ze allebei plotseling in staat waren het aantal chromosomen in hun geslachtscellen te halveren op de manier die nodig is om gezonde nakomelingen met kenmerken van beide ouders voort te brengen? En als deze manier van voortplanten zich geleidelijk heeft ontwikkeld, hoe zijn het mannetje en het vrouwtje van elke soort dan blijven bestaan terwijl die belangrijke elementen nog maar gedeeltelijk gevormd waren?

Zelfs voor één enkele soort is de kans dat deze onderlinge afhankelijkheid bij toeval is ontstaan, onmetelijk klein. De kans dat dit bij de ene soort na de andere is gebeurd, tart elke redelijke verklaring. Kan een theoretisch evolutieproces een dergelijke complexiteit verklaren? Hoe kunnen toevallige, willekeurige, doelloze gebeurtenissen zulke nauw samenhangende mechanismen tot gevolg hebben? Levende organismen hebben talloze kenmerken waaruit een vooruitziende blik en planning blijkt — wat op een intelligente Planner wijst.

Veel geleerden zijn tot een dergelijke conclusie gekomen. De wiskundige William A. Dembski bijvoorbeeld schreef dat het „intelligente ontwerp” dat te zien is in „waarneembare kenmerken van de natuur . . . alleen bevredigend verklaard kan worden door het aan intelligente oorzaken toe te schrijven”. De biochemicus Michael Behe vat de bewijzen als volgt samen: „Je kunt een goed katholiek zijn en in het darwinisme geloven. De biochemie heeft het echter steeds moeilijker gemaakt om een logisch denkend wetenschapper te zijn en erin te geloven.”

Een fossielenverslag vol hiaten

Een derde mysterie dat sommige wetenschappers voor een raadsel stelt, houdt verband met fossielen. Als het evolutieproces al miljarden jaren aan de gang is, zouden we verwachten heel veel overgangsvormen, of schakels, tussen de belangrijke levensvormen te vinden. Maar de talloze fossielen die sinds Darwins tijd zijn blootgelegd, zijn in dat opzicht een teleurstelling gebleken. De ontbrekende schakels doen hun naam eer aan — ze zijn er gewoon niet!

Een aantal wetenschappers zijn daarom tot de conclusie gekomen dat de bewijzen voor evolutie te zwak en te tegenstrijdig zijn om aan te tonen dat het leven geëvolueerd is. Ruimtevaartingenieur Luther D. Sutherland schreef in zijn boek Darwin’s Enigma: „Het wetenschappelijke bewijsmateriaal toont aan dat telkens wanneer er een fundamenteel andere levensvorm op aarde verscheen, van eencellige protozoa tot de mens, elk daarvan compleet was, met organen en structuren die compleet waren en volledig functioneerden. De onontkoombare conclusie die hieruit getrokken moet worden, is dat er een of andere vorm van intelligentie bestond voordat het leven op aarde verscheen.”

Anderzijds komt het fossielenverslag nauw overeen met de algemene volgorde waarin de levensvormen volgens het bijbelboek Genesis verschijnen. Donald E. Chittick, een chemofysicus die een doctorstitel behaalde aan de Universiteit van Oregon, merkt op: „Een nauwkeurig onderzoek van de fossielen zal iemand tot de conclusie brengen dat dieren zich naar hun soort hebben vermenigvuldigd zoals Genesis zegt. Ze veranderden niet van de ene soort in de andere. Het bewijsmateriaal in deze tijd is net als in Darwins tijd in overeenstemming met het Genesisverslag van rechtstreekse schepping. Dieren en planten vermenigvuldigen zich nog steeds naar hun soort. De tegenstelling tussen de paleontologie (studie van fossielen) en het darwinisme is zelfs zo groot dat sommige wetenschappers beginnen te geloven dat de tussenvormen nooit gevonden zullen worden.”

De bewijzen eerlijk onder ogen zien

Het voorgaande is slechts het topje van de ijsberg van onbeantwoorde vragen die een raadsel blijven voor degenen die de bewijzen dat er een Schepper is, naast zich neerleggen. Sommige wetenschappers beseffen dat het ontkennen van Gods bestaan een weg is die niet met harde bewijzen en zorgvuldige logica is geplaveid maar met hoopvolle veronderstellingen en gissingen.

De sterrenkundige Allan Sandage zei dan ook na een leven van productief wetenschappelijk onderzoek en werk: „Mijn wetenschappelijke studie heeft me tot de conclusie gebracht dat de wereld veel gecompliceerder is dan de wetenschap kan verklaren. Alleen via het bovennatuurlijke kan ik het mysterie van het bestaan begrijpen.”

[Voetnoten]

^ ¶6 Zie voor meer details hfst. 2 van het boek Is er een Schepper die om u geeft?, uitgegeven door Jehovah’s Getuigen.

^ ¶11 Hij ging ervan uit dat dit molecuul vier miljard jaar de gelegenheid had zich op 100.000.000.000.000.000.000 (1020) „gastvrije” planeten door natuurlijke chemische reacties te ontwikkelen. Hoe groot is de kans dat er één enkel DNA-molecuul werd gevormd? Naar zijn schatting één op 10415!

[Kader op blz. 6]

Vragen die wetenschappers voor een raadsel stellen

▪ Hoe komt het dat de vier fundamentele natuurkrachten zo ongelofelijk subtiel zijn afgestemd, waardoor het bestaan van het universum en van leven mogelijk is?

▪ Hoe is de buitengewone en vaak onherleidbare complexiteit van levende organismen te verklaren?

▪ Hoe komt het dat het fossielenverslag onvolledig is, en waar zijn de aanwijzingen van overgangsvormen, of schakels, tussen de voornaamste soorten?

[Kader op blz. 8]

Is het puur toeval?

Toen de Engelstalige editie van National Geographic onlangs een vertederende omslagfoto had die de liefdevolle band tussen moeder en kind in beeld bracht, schreef een lezer naar het tijdschrift: „De moeder-met-kindfoto op de omslag is een meesterwerk. Hoe iemand naar dat schattige kindje kan kijken dat nog maar negen maanden geleden een eitje ter grootte van een speldenknop was, en kan denken dat deze wonderbare ontwikkeling het gevolg is van blind toeval, gaat mijn verstand te boven.”

Velen zullen het daarmee eens zijn. Dr. Gerald Schroeder, schrijver en voormalig hoogleraar in de kernfysica, vergelijkt de waarschijnlijkheid dat het universum en het leven het resultaat zijn van blind toeval met de kans om drie keer achtereen de loterij te winnen. „Voordat je voor de derde keer je geld opstrijkt, ben je al op weg naar de gevangenis omdat men denkt dat je de boel hebt bedrogen. De kans om drie keer achtereen, of drie keer in je leven, te winnen, is zo klein dat ze te verwaarlozen is.”

[Illustraties op blz. 7]

Als deze vier krachten niet precies afgestemd en uitgebalanceerd waren, zou er geen leven mogelijk zijn

De zwakke kernkracht zorgt ervoor dat onze zon gelijkmatig brandt

De zwaartekracht houdt voorwerpen op aarde

De sterke kernkracht houdt de kern van atomen bij elkaar

Elektromagnetisme is de kracht achter de bliksem

[Illustraties op blz. 7]

Hoe kunnen blinde krachten iets zo gecompliceerds voortbrengen als één enkele cel met zijn DNA, laat staan een mens?

[Illustraties op blz. 8]

De gevonden fossielen bewijzen niet dat het leven is geëvolueerd